GEHEIM GEWELD
In Geheim geweld doorbreekt de Pakistaans-Nederlandse Hameeda Lakho voorgoed het taboe dat op kindermishandeling rust. Ze schrijft open en indringend over de pijnlijke gevolgen van een gewelddadige, liefdeloze jeugd, en de invloed die dat heeft op de rest van je leven. Om te overleven moest zij als kind haar gevoel uitschakelen en onzichtbaar zijn, maar als volwassene moest ze opnieuw leren leven en liefhebben.
Geheim Geweld is een ontroerende getuigenis van een sterke vrouw en haar wil om te overleven. Hameeda Lakho wil met dit boek de aandacht vestigen op de wereldwijde slachtoffers van kindermishandeling, zodat hun stem gehoord wordt. Met passie, inzicht en moed beschrijft ze haar zoektocht naar zichzelf en laat ze zien dat er onder alle omstandigheden hoop is. Onlangs richtte zij de Stichting Geheim Geweld op, voor lotgenoten die hier herkenning en bevestiging kunnen vinden.
Als kind werd Hameeda Lakho jarenlang stelselmatig geestelijk en lichamelijk mishandeld. Haar vader en stiefmoeder vertelden haar dat haar echte moeder dood was. Over haar schokkende jeugd schreef Hameeda samen met journaliste Magda van der Rijst eerder de boeken Verborgen tralies en Gebroken cirkel.
Met Geheim geweld schreef Hameeda wederom een aangrijpend en persoonlijk boek, dat geen lezer onberoerd zal laten.
Geheim Geweld is een ontroerende getuigenis van een sterke vrouw en haar wil om te overleven. Hameeda Lakho wil met dit boek de aandacht vestigen op de wereldwijde slachtoffers van kindermishandeling, zodat hun stem gehoord wordt. Met passie, inzicht en moed beschrijft ze haar zoektocht naar zichzelf en laat ze zien dat er onder alle omstandigheden hoop is. Onlangs richtte zij de Stichting Geheim Geweld op, voor lotgenoten die hier herkenning en bevestiging kunnen vinden.
Als kind werd Hameeda Lakho jarenlang stelselmatig geestelijk en lichamelijk mishandeld. Haar vader en stiefmoeder vertelden haar dat haar echte moeder dood was. Over haar schokkende jeugd schreef Hameeda samen met journaliste Magda van der Rijst eerder de boeken Verborgen tralies en Gebroken cirkel.
Met Geheim geweld schreef Hameeda wederom een aangrijpend en persoonlijk boek, dat geen lezer onberoerd zal laten.
DE MENINGEN
Reacties van de pers
Geheim geweld is niet alleen het relaas van dat kleine blauw geslagen meisje, maar ook van de trotse vrouw die ze nu is en de littekens die ze draagt. Het is een aanklacht geworden tegen geweld, tegen het 'bemoei je er niet mee' en tegen beleidsmakers die er niets van snappen. – De Morgen - Antwerpen
Geheim geweld, reeds haar derde boek, is een scherpe en beklemmende aanklacht geworden tegen kindermishandeling met een duidelijke boodschap: 'Iedereen moet zijn verantwoordelijkheid opnemen.' De Morgen - Antwerpen
In ‘Geheim geweld’ staat nu de brutale kindermishandeling uit haar jeugd centraal. – De Standaard
‘Bij onze Noorderburen is Hameeda nu uitgegroeid tot een symbool van hoop voor geweldsslachtoffers’ – Gazet van Antwerpen
‘Als Nederlandse met Pakistaanse roots spreekt ze ook de allochtone jongeren enorm aan. Met haar Stichting geheim geweld wil ze die verborgen slachtoffers helpen.’ – Gazet van Antwerpen
‘Hameeda Lakho straalt weer, dankzij haar innerlijke kracht en overlevingsdrang.
Geheim Geweld gaat over kindermishandeling en hoe je leven voor altijd verandert, als je een jeugd als die van Lakho hebt gehad. Ontroerend en aangrijpend’ – Colorfull
‘Openhartige persoonlijke aanklacht tegen een van de ergste vormen van geweld: kindermishandeling’ – Libris Magazine
‘Een aangrijpend relaas’ – Glamour
Reacties van lezers
Bedankt voor je persoonlijke reactie....... tranen liepen over mijn wangen...zo ontroerde je mij.....je erkent me als lotgenote.....en die erkenning van jou dat is een prachtig cadeau. – Mieke
De afgelopen weken heb ik je boeken gelezen; Toen ik er eenmaal in zat kon ik er niet meer los van komen. Er waren vele momenten van herkenning; het altijd alert moeten zijn, je eigen wereld creëren, de angst, onrust, je afsluiten voor gevoelens van afwijzing, verdriet, pijn.
Het heeft op mij een diepe indruk gemaakt, ik voel me verbonden met jou, ook al is jou geschiedenis een andere dan die van mij; Ik herken de kwetsbaarheid maar ook de kracht van mijzelf in jou. Ze bestaan naast elkaar, zijn onderdeel van elkaar. – Judith
Ik wil je bedanken voor je boek, Geheim geweld. We hebben ongeveer dezelfde cultuur waar we vandaan komen en ik lees dat we veel overeenkomsten hebben. Wat ik tegen je wilde zeggen, dat ik je wil bedanken voor de inzichten die je me hebt gegeven. Ik ben blij dat je je zo hebt opgewerkt en dat je de kracht hebt om verder te gaan. Ik wens jou al het beste toe en weet dat je me hebt bereikt, diep van binnen. – Sharita
Ik heb net je eerste boek uit. Prachtig maar zeer INDRUKWEKKEND in alle opzichten. Ik vond het ontzettend goed geschreven, met een lach en een traan. ZO KNAP. Ik ben er diep van onder de indruk en moet het eerst even laten bezinken voordat ik aan het tweede boek begin. Ik wist natuurlijk wel van deze praktijken maar het is net alsof ik nadat ik met je heb kennisgemaakt er beter met de neus op wordt gedrukt. Het dringt nu ook wel tot mij door dat ik als onderwijzeres steeds alert moet zijn op anders gedragingen van leerlingen. Maar eerlijk gezegd vind ik dat wel moeilijk en ik hoop niet dat er ooit een kind tevergeefs om mijn aandacht heeft gevraagd. Hoe kun je kinderen zo behandelen, onverstelbaar.
Het meest knappe vind ik hoe jij je er nu over kunt schrijven en praten. Er moet toch van binnen een heleboel kapot gemaakt zijn. Ik heb de eerste tijd wel iets om over na te denken. – Marjan
Ik heb uw boek Geheim Geweld gelezen, met een stijgende verbazing, later met ongeloof. Niet om U te kwetsen hoor want het leek alsof ik mijn eigen levensverhaal aan het lezen was. - Yvonne
Ondanks een negatieve jeugd een warm hart hebben. Indrukwekkend hoe een mens zulke heftige dingen toch te boven kan komen. Knap om zo je gevoelens op papier te zetten. Moedig om in de publiciteit te treden met een dergelijk emotioneel beladen onderwerp. Walgelijk dat een vader en stiefmoeder zoiets hun kinderen aan kan doen en nog steeds geen berouw toont. Herkenning van gevoelens, terugkijkend op jeugd. Dat levens zo apart van elkaar zoveel overeenkomsten kunnen vertonen. Herkenning dat het moeilijk is innerlijke rust te vinden ondanks eigen gezin en nieuwe vrienden. Hoe moet je invulling geven? We hebben een vrolijk en goedgemeend contact maar niet beseffend dat er een zodanig verleden in iemand schuilt. Openstaand, vrolijk, spontaan en altijd oprecht belangstellend in andermans verhaal.. Mooie, lieve vrouw met zo’n ongelooflijke, verschrikkelijke achtergrond. Achter je gezicht dat er uitziet als een zonnestraal, zit een diep gevoel van verdriet en eenzaamheid. Enorme bewondering en kracht toegewenst. De openhartigheid waarmee jij je verhaal heb geschreven, vraagt om een antwoord van diegene die het leest.
Beoordelingen klanten Bol.com - Geheim Geweld
19 september 2006 – Lanaken, België
Geheim Geweld
Ik heb beide voorgaande boeken van dezelfde auteur Verborgen Tralies en Gebroken Cirkel ook gelezen en was daardoor ontroerd. Met Geheim Geweld vertelt Hameeda Lakho haar verhaal verder. En ook dit boek krijg je niet gelezen zonder een traan weg te pinken. Kindermishandeling is jammer genoeg een gekend fenomeen, iedereen weet dat het gebeurd maar zelden grijpen mensen in. Na het lezen van dit boek ga je beseffen hoe belangrijk het is om in te grijpen als er in je buurt iemand mishandeld wordt. Hameeda Lakho heeft wederom een ontroerend verhaal geschreven, velen wat mishandeld werden of worden zullen hier steun aan vinden, dit boek leert ons dat er altijd hoop is op een betere toekomst! Die hoop moet er zijn, maar het moet meer worden dan alleen "hopen"...
10 februari 2006 – Ijsselstein, Nederland
Geheim Geweld
toen ik aan het boek begon,was het net of ik mijn eigen leven zat te lezen,heb er wel veel moeite mee gehad,maar heb het uit eindelijk wel uit gelezen. tineke
8 januari 2006 - Tilburg , Nederland
Geheim Geweld
Ik vind het zo`n puntgave verwoording van de gebeurtenissen. De pijn, verdriet, alle emoties die je als mens bezit komen erin voor. Het is zo onmenselijk wat andere mensen je aan kunnen doen en doen. Ik herken er zoveel eigen situaties, gevoelens in dat ik het dapper vind dat je daarover een boek hebt geschreven. Het blijft hopelijk niet een omstreden onderwerp.
Geheim geweld is niet alleen het relaas van dat kleine blauw geslagen meisje, maar ook van de trotse vrouw die ze nu is en de littekens die ze draagt. Het is een aanklacht geworden tegen geweld, tegen het 'bemoei je er niet mee' en tegen beleidsmakers die er niets van snappen. – De Morgen - Antwerpen
Geheim geweld, reeds haar derde boek, is een scherpe en beklemmende aanklacht geworden tegen kindermishandeling met een duidelijke boodschap: 'Iedereen moet zijn verantwoordelijkheid opnemen.' De Morgen - Antwerpen
In ‘Geheim geweld’ staat nu de brutale kindermishandeling uit haar jeugd centraal. – De Standaard
‘Bij onze Noorderburen is Hameeda nu uitgegroeid tot een symbool van hoop voor geweldsslachtoffers’ – Gazet van Antwerpen
‘Als Nederlandse met Pakistaanse roots spreekt ze ook de allochtone jongeren enorm aan. Met haar Stichting geheim geweld wil ze die verborgen slachtoffers helpen.’ – Gazet van Antwerpen
‘Hameeda Lakho straalt weer, dankzij haar innerlijke kracht en overlevingsdrang.
Geheim Geweld gaat over kindermishandeling en hoe je leven voor altijd verandert, als je een jeugd als die van Lakho hebt gehad. Ontroerend en aangrijpend’ – Colorfull
‘Openhartige persoonlijke aanklacht tegen een van de ergste vormen van geweld: kindermishandeling’ – Libris Magazine
‘Een aangrijpend relaas’ – Glamour
Reacties van lezers
Bedankt voor je persoonlijke reactie....... tranen liepen over mijn wangen...zo ontroerde je mij.....je erkent me als lotgenote.....en die erkenning van jou dat is een prachtig cadeau. – Mieke
De afgelopen weken heb ik je boeken gelezen; Toen ik er eenmaal in zat kon ik er niet meer los van komen. Er waren vele momenten van herkenning; het altijd alert moeten zijn, je eigen wereld creëren, de angst, onrust, je afsluiten voor gevoelens van afwijzing, verdriet, pijn.
Het heeft op mij een diepe indruk gemaakt, ik voel me verbonden met jou, ook al is jou geschiedenis een andere dan die van mij; Ik herken de kwetsbaarheid maar ook de kracht van mijzelf in jou. Ze bestaan naast elkaar, zijn onderdeel van elkaar. – Judith
Ik wil je bedanken voor je boek, Geheim geweld. We hebben ongeveer dezelfde cultuur waar we vandaan komen en ik lees dat we veel overeenkomsten hebben. Wat ik tegen je wilde zeggen, dat ik je wil bedanken voor de inzichten die je me hebt gegeven. Ik ben blij dat je je zo hebt opgewerkt en dat je de kracht hebt om verder te gaan. Ik wens jou al het beste toe en weet dat je me hebt bereikt, diep van binnen. – Sharita
Ik heb net je eerste boek uit. Prachtig maar zeer INDRUKWEKKEND in alle opzichten. Ik vond het ontzettend goed geschreven, met een lach en een traan. ZO KNAP. Ik ben er diep van onder de indruk en moet het eerst even laten bezinken voordat ik aan het tweede boek begin. Ik wist natuurlijk wel van deze praktijken maar het is net alsof ik nadat ik met je heb kennisgemaakt er beter met de neus op wordt gedrukt. Het dringt nu ook wel tot mij door dat ik als onderwijzeres steeds alert moet zijn op anders gedragingen van leerlingen. Maar eerlijk gezegd vind ik dat wel moeilijk en ik hoop niet dat er ooit een kind tevergeefs om mijn aandacht heeft gevraagd. Hoe kun je kinderen zo behandelen, onverstelbaar.
Het meest knappe vind ik hoe jij je er nu over kunt schrijven en praten. Er moet toch van binnen een heleboel kapot gemaakt zijn. Ik heb de eerste tijd wel iets om over na te denken. – Marjan
Ik heb uw boek Geheim Geweld gelezen, met een stijgende verbazing, later met ongeloof. Niet om U te kwetsen hoor want het leek alsof ik mijn eigen levensverhaal aan het lezen was. - Yvonne
Ondanks een negatieve jeugd een warm hart hebben. Indrukwekkend hoe een mens zulke heftige dingen toch te boven kan komen. Knap om zo je gevoelens op papier te zetten. Moedig om in de publiciteit te treden met een dergelijk emotioneel beladen onderwerp. Walgelijk dat een vader en stiefmoeder zoiets hun kinderen aan kan doen en nog steeds geen berouw toont. Herkenning van gevoelens, terugkijkend op jeugd. Dat levens zo apart van elkaar zoveel overeenkomsten kunnen vertonen. Herkenning dat het moeilijk is innerlijke rust te vinden ondanks eigen gezin en nieuwe vrienden. Hoe moet je invulling geven? We hebben een vrolijk en goedgemeend contact maar niet beseffend dat er een zodanig verleden in iemand schuilt. Openstaand, vrolijk, spontaan en altijd oprecht belangstellend in andermans verhaal.. Mooie, lieve vrouw met zo’n ongelooflijke, verschrikkelijke achtergrond. Achter je gezicht dat er uitziet als een zonnestraal, zit een diep gevoel van verdriet en eenzaamheid. Enorme bewondering en kracht toegewenst. De openhartigheid waarmee jij je verhaal heb geschreven, vraagt om een antwoord van diegene die het leest.
Beoordelingen klanten Bol.com - Geheim Geweld
19 september 2006 – Lanaken, België
Geheim Geweld
Ik heb beide voorgaande boeken van dezelfde auteur Verborgen Tralies en Gebroken Cirkel ook gelezen en was daardoor ontroerd. Met Geheim Geweld vertelt Hameeda Lakho haar verhaal verder. En ook dit boek krijg je niet gelezen zonder een traan weg te pinken. Kindermishandeling is jammer genoeg een gekend fenomeen, iedereen weet dat het gebeurd maar zelden grijpen mensen in. Na het lezen van dit boek ga je beseffen hoe belangrijk het is om in te grijpen als er in je buurt iemand mishandeld wordt. Hameeda Lakho heeft wederom een ontroerend verhaal geschreven, velen wat mishandeld werden of worden zullen hier steun aan vinden, dit boek leert ons dat er altijd hoop is op een betere toekomst! Die hoop moet er zijn, maar het moet meer worden dan alleen "hopen"...
10 februari 2006 – Ijsselstein, Nederland
Geheim Geweld
toen ik aan het boek begon,was het net of ik mijn eigen leven zat te lezen,heb er wel veel moeite mee gehad,maar heb het uit eindelijk wel uit gelezen. tineke
8 januari 2006 - Tilburg , Nederland
Geheim Geweld
Ik vind het zo`n puntgave verwoording van de gebeurtenissen. De pijn, verdriet, alle emoties die je als mens bezit komen erin voor. Het is zo onmenselijk wat andere mensen je aan kunnen doen en doen. Ik herken er zoveel eigen situaties, gevoelens in dat ik het dapper vind dat je daarover een boek hebt geschreven. Het blijft hopelijk niet een omstreden onderwerp.
FRAGMENT
HOOFDSTUK 1 – ACHTER DE HORIZON
Als klein meisje staarde ik verlangend uit het raam. Zo ver mogelijk probeerde ik te kijken, over de daken en de bomen. Ik hoopte dat ik daar op een dag zou zijn. Ik wilde de horizon bereiken, dan zou ik vrij zijn.
Een groot deel van mijn leven heb ik geprobeerd te vluchten. Als ik maar weg was, ver weg van mijn vader, van mijn stiefmoeder, van alles wat naar en onveilig was. Ik fantaseerde erover om in een Israëlische kibboets te gaan werken, om naar Amerika te gaan, weg van Nederland – het land waar mijn vader me naartoe heeft gehaald toen ik klein was. Ik wilde overal naartoe, behalve naar Pakistan, mijn geboorteland. Pakistan doet me aan mijn familie denken, aan alles wat ik heb verloren. Of misschien moet ik zeggen: aan alles wat ik nooit heb gehad.
Ik heb bijna geen tastbare herinneringen aan vroeger. Geen speelgoed, geen dagboeken, geen fotoalbums. Een paar jaar geleden bleek mijn moeder foto’s in haar bezit te hebben van toen mijn zussen en ik klein waren.
Eén foto is gemaakt in de speeltuin. Mijn twee oudere zussen, Zahida en Ayesha, kijken met strakke gezichten in de camera. Ik heb een marinejasje aan, afgebiesd met goudkleurige strepen en met zes goudkleurige knopen, waar ik vroeger heel trots op was. Vier jaar ben ik op die foto, ik zit op het klimrek en ben de enige van ons drieën die lacht. Mijn ogen glinsteren en ik kijk onverschrokken. Ik ben een meisje dat gekke dingen uithaalt, dat giechelt om niets en nieuwsgierige vragen stelt. Ze lacht, die kleine Hameeda.
Wanneer ik dat beeld zie, word ik weemoedig en droevig tegelijkertijd. Ik mis haar, daar komt de weemoed vandaan. De onbevangenheid die ik toen had, komt nooit meer terug. En ik ben verdrietig omdat het meisje op de foto geen idee heeft van wat haar boven het hoofd hangt. Ze weet nog niet dat ze jarenlang zal worden geslagen en vernederd, dat ze een jeugd zonder liefde tegemoet gaat. Aan de ernstige gezichtjes van mijn oudere zussen zie je dat zij al wel beseffen dat ze gevangen zitten, dat er geen kans is om te ontsnappen aan het geweld.
Mijn vader achtervolgt me in mijn dromen. Zijn gezicht is vertrokken van woede en hij schreeuwt dat hij me toch wel te pakken zal krijgen, waar ik ook naartoe vlucht. Hij scheldt me uit voor hoer, voor alles wat vies en lelijk is. Na zo’n nachtmerrie word ik bang wakker en vind ik het moeilijk om aan de dag te beginnen. Ik vraag me af of het me ooit zal lukken om gelukkig te zijn. Ik wil het graag leren, maar ik weet niet hoe.
Ik heb een man, ik heb twee tienerdochters, ik heb een eigen leven nu. Ik ben een volwassen vrouw van veertig. Ik weet dat het geen zin heeft om te vluchten, omdat ik mijzelf meeneem, waar ik ook naartoe ga. En toch, als ik eerlijk ben, geloof ik dat ik nog elke dag bezig ben om weg te komen. Ik probeer te ontsnappen aan het verleden, aan degene die ik door al het geestelijke en lichamelijke geweld geworden ben.
Ik heb altijd tegen mezelf gezegd: ga door, knok voor jezelf. Ik heb een sterke drang tot overleven, dat is mijn redding geweest. Ook al sloeg mijn vader me, ik bleef vastbesloten om me niet klein te laten krijgen. Maar ik wil nu niet meer vechten, niet meer constant zo mijn best doen om iets van mijn leven te maken. Ik zou zo graag willen ontspannen en plezier maken, zoals andere mensen. Ik wil het gevoel krijgen erbij te horen en te leven, in plaats van toeschouwer te zijn. Ik ben weleens bang dat mijn vader het gevecht toch nog gewonnen heeft – al vind ik die gedachte te angstaanjagend om toe te laten.
Mijn vader bezoekt me in mijn dromen, maar ook overdag zie ik hem. De beelden verschijnen zomaar op mijn netvlies, zonder dat ik er controle over heb. Het kan gebeuren als ik de was ophang, als ik aan tafel zit met een kopje thee, of als ik gedachteloos door het huis loop. Ik zie hoe hij mijn oudste zus Zahida slaat tot haar hele gezicht bloedt. Mijn vader blijft maar slaan, haar armen en benen zijn bont en blauw. Hij schreeuwt, trekt aan haar haren tot de plukken in het rond dwarrelen. Het beeld is zo sterk dat het net is alsof ik weer in het huis ben waar ik vroeger woonde. Het tapijt ligt vol met plukken haar, ik kan mijn ogen er niet vanaf houden. Ik zie hoe mijn vader Ayesha tegen de muur gooit, keer op keer. Haar neus bloedt en ik ben bang dat ze niet meer op zal staan, dat ze het dit keer niet zal overleven. Deze keer gaat het definitief mis, deze keer zal mijn vader haar vermoorden. Hij schreeuwt: ‘Je bent een hoer! Je komt uit de goot! Je verdient het niet om te leven!’ Alle nare woorden die hij ook zo vaak tegen mij geroepen heeft. Mijn zus huilt niet, ondergaat het stil. Na afloop zitten de bloedspatten op het behang.
Op onverwachte momenten komt de angst van vroeger terug. Ik voel dan grote druk van binnen, krijg bijna geen adem. Mijn spieren raken verkrampt en de spanning neemt bezit van me. Van de zenuwen krijg ik dan geen woord uit mijn mond. Als ik een onschuldig, zakelijk telefoontje moet plegen begin ik soms zomaar te stotteren, net als vroeger. Het verbaast me dat ik van die gevoelens nog altijd last heb.
Het is alsof er twee personen in mij zitten. Ik kan nog dat onverschrokken meisje van de foto zijn, lacherig en aanwezig, vol met wilde plannen -- dat is het kind in mij van wie ik houd. Maar in mij zit ook die andere persoon, degene die angstig is en alles over zich heen laat komen. De Hameeda die zich laat slaan en vernederen, die alleen maar bezig is om te overleven. Ik heb die persoon in mij jarenlang ontkend, haar net zo gehaat als mijn vader indertijd. Ik ben jarenlang boos op haar geweest, heb dat meisje waar ik zo’n hekel aan heb almaar weggeduwd. Nu weet ik dat ik pas verder kan groeien wanneer ik dat kind toelaat en accepteer. Dat meisje dat zij nooit heeft mogen zijn. Zo vertrouwd met leed en pijn. Ik kan wel doen of ik dat bange meisje niet ken, maar ik ben dat óók. Ik heb alleen nooit geleerd om onvoorwaardelijk van haar te houden.
Als ik me weer dat angstige kind voel en weer terug in mijn jeugd ben, vind ik het moeilijk om andere mensen te zien, om contact te maken. Pas geleden had ik een receptie. Ik wilde er graag naartoe, maar toen de dag naderde, begon ik er steeds meer tegenop te zien. In mijn hoofd voerde ik almaar hetzelfde gesprek: ga nou maar, je moet onder de mensen komen, zei mijn verstandige stem. Ik wil niet, ik kan het niet, ik ben bang, zei mijn laffe stem. Ik bleef er maar tegenaan hikken. Op de dag zelf zat ik nog te twijfelen of ik ernaartoe zou gaan. Uiteindelijk ging ik toch omdat ik de gastvrouw niet teleur wilde stellen. Met een bang hart reed ik naar Amsterdam. Ik reed rondjes over de gracht om een parkeerplaats te vinden en hoopte dat er geen plekje vrij zou zijn. Net toen ik rechtsomkeert wilde maken, zag ik een auto voor me uitparkeren.
De receptie was in een bruine kroeg, het lawaai van vrolijke mensen kwam me tegemoet zodra de deur open ging. Ik glipte naar binnen en probeerde te glimlachen. Ik groette bekenden, bestelde een spa blauw bij de bar om mijzelf een houding te geven. Ik ging bij een groepje gasten staan, probeerde mee te praten en te lachen. Zij zagen er ontspannen uit, dronken wijn, rookten sigaretten. Ik wist mezelf geen houding te geven, had het idee dat ik niets te vertellen heb. Vol verbazing keek ik naar de mensen om mij heen, die schijnbaar moeiteloos luchtige gesprekken voerden. Ik wilde weg, kreeg het benauwd. Ik probeerde wel om een gesprek te voeren, maar kon me niet concentreren.
Ik bleef het glas vasthouden, lang nadat het leeg was. Toen iemand het van me overnam, begon ik te frunniken aan mijn kleren. Ik vroeg me af of het aan me te zien was dat ik me niet op mijn gemak voelde. Ik wist dat er geen reden was om me onzeker te voelen; ik was uitgenodigd, dus mocht ik er vanuit gaan dat mensen het leuk vonden dat ik aanwezig was. Maar het onzekere gevoel was sterker dan ikzelf.
De eenzaamheid overviel me, in dat volle café. Het gevoel dat ik er niet bij hoorde werd steeds sterker. Ik ging nog maar wat te drinken halen. Ik liep doelloos door het café en wist niet wat ik moest doen. Moet je op iemand afstappen? Hoe gedraag je je? Wat zeg je? Ik heb nooit geleerd om me te handhaven in een groep.
Ik ging bij een ander groepje vrouwen staan en luisterde mee. Ik bewonderde ze omdat ze de juiste toon wisten te vinden, vlot ingingen op wat er werd gezegd. Ze praatten over de politieke ideeën van Ayaan Hirsi Ali, over gezamenlijke kennissen, over de laatste film die ze gezien hadden. Ze vonden steeds weer nieuwe onderwerpen en maakten grappige opmerkingen waar de anderen om moesten lachen. Hoe deden ze dat? Hoe konden ze hun aandacht erbij houden? Ik viel weg. Ik stond erbij, maar eigenlijk was ik er niet. Ik luisterde stil en maakte me klein: sorry dat ik er ben, dat ik besta. Ik kan me goed onzichtbaar maken.
Ik ben niet altijd zo. Alleen als ik te veel met mijn verleden bezig ben, word ik weer die onzekere persoon van vroeger. Ik kan juist geanimeerd discussiëren, fel zijn als ik mijn mening verdedig. Op goeie dagen gaat het vanzelf. Tot mijn verbazing merk ik dan hoe blij andere mensen zijn om me te zien. Maar op mindere dagen trek ik me terug. Ik heb in mijn jeugd niet geleerd hoe je je handhaaft in een groep en daarom voel ik me op zo’n receptie een buitenstaander.
Door mijn kinderen word ik geconfronteerd met wat ik vroeger heb gemist. Mijn dochters nemen vaak vriendjes en vriendinnetjes mee naar huis. Na schooltijd komen ze uitgelaten binnengerend, ze maken lawaai, zijn met elkaar aan het lachen en klieren. We drinken samen wat, we kletsen even over wat ze op school hebben meegemaakt en ik geef ze een dikke knuffel. Voor ik het weet, rennen ze weg met hun vriendjes om te gaan spelen. Het maakt me blij om te zien dat ze echt contact maken.
Tegelijkertijd herinnert het me aan wat mij is onthouden. Natuurlijk gun ik het mijn kinderen als geen ander dat ze zo ongeremd plezier kunnen maken, dat ze de kans krijgen om vriendschappen aan te gaan, maar ik voel me ook weemoedig omdat ik dat zelf nooit heb gekend.
Het zijn de kleine dingen die me nog altijd verbazen, de dingen die voor anderen vanzelfsprekend zijn. Laatst kwam mijn dochter thuis met een paar nieuwe oorbellen, die ze zomaar van haar zakgeld had gekocht, zonder te overleggen. Ik was zo trots op haar! Ik keek toe terwijl ze de oorbellen indeed voor de spiegel en zichzelf bewonderde. Ik was blij en droevig tegelijk. De melancholie overviel me. Mijn stiefmoeder bepaalde hoe ik eruitzag en ik mocht in mijn jeugd nooit wat zelf uitkiezen.
Ik probeer mijn kinderen dat te geven wat ik zelf niet heb gehad. Ik wil ze leren dat ze er mogen zijn, dat zelfrespect belangrijk is en dat ze zich niet voor zichzelf hoeven te schamen. Ik wil ze alle liefde en aandacht geven, wil voorkomen dat ze zich ooit zo bang en eenzaam zullen voelen als ik.
Het is vreemd, ik weet anderen heel goed te vertellen hoe ze moeten leven, dat zelfrespect belangrijk is en dat het goed is om niet alleen aan de ander te denken, maar ook aan jezelf. Dat het prima is om zelf naar het winkelcentrum te fietsen en oorbellen te kopen die je mooi vindt. Ik luister naar andermans problemen, geef wijze raad, sta altijd klaar. Maar zelf weet ik niet goed hoe ik moet leven. Ik vind het moeilijk om mijzelf iets te gunnen, geef mezelf nooit vrij. Ik moet altijd door.
Ik weet dat wat ik heb gemist in mijn jeugd niet in te halen valt. Er zit een gat in mij dat anderen niet voor mij kunnen opvullen. Het is een bepaalde eenzaamheid die ik altijd bij me draag, waar ik ook ben. Mijn man zegt zo vaak tegen me: ‘De kinderen en ik zijn er voor je, we geven om je.’ Ik hoor wat hij zegt, maar ik kan het niet altijd voelen. Ik vind het moeilijk om te geloven dat er mensen op de wereld zijn die mij echt de moeite waard vinden, die werkelijk van mij houden.
Ik durf niet altijd te vertellen wat ik voel of denk. Ik wil niet kwetsbaar zijn, ik heb in mijn jeugd geleerd dat het gevaarlijk is om mijn gevoel te tonen. Als iemand vraagt hoe het met me is, zeg ik altijd dat het goed gaat. Als ik mijn gevoel toelaat, overspoelt het me. Ik probeer controle te houden, me niet mee te laten slepen door mijn gevoel. De wereld is hard en ik ben helemaal alleen, zo heb ik dat van jongs af aan ervaren. Voelen heb ik nooit geleerd, voelen was verboden. Ik ben me daar nu pas van bewust.
Ik moest eerst met het verleden afrekenen om vooruit te kunnen. Ik ben in 1997 een rechtszaak begonnen tegen mijn vader en stiefmoeder; ik heb hen aangeklaagd wegens mishandeling. Officieel heette dat: een onrechtmatige daad. Ik wilde dat mijn vader terecht stond voor de lichamelijke en geestelijke mishandeling, maar ook voor het bedrog, voor alle leugens die hij me had verteld. Hij moest boeten voor het verdriet dat hij me had aangedaan. Als veertienjarige werd ik uit huis geplaatst, en dood verklaard door mijn vader en stiefmoeder. Mijn verdere jeugd bracht ik door in kindertehuizen, zonder enig contact met mijn familie. Na jarenlange innerlijke strijd kwam ik tot het besef hoezeer ik was beschadigd voor het leven. De rechtszaak heeft me veel energie gekost. Mijn zussen zagen er aanvankelijk geen heil in. Toch wist ik Ayesha te overtuigen om samen de rechtszaak aan te gaan. Zahida kon en wilde de confrontatie toen nog niet aan. Maar later heeft ze toch schriftelijk haar getuigenis opgesteld. Het was slopend, maar ik moest het doen.
Tegelijkertijd ontdekte ik na al die jaren dat mijn moeder nog leefde, terwijl mijn vader me van jongs af aan had verteld dat ze dood was. Ze bleek met mijn jongere zusje Yasmin in Pakistan te wonen en ik bleek ook nog een jongere broer te hebben, Ali Nawaz, van wiens bestaan ik niets wist. Ik kreeg zo’n levenslust toen ik dat ontdekte: nu zou alles goed komen, ik zou mijn moeder terugkrijgen. Ik had haar zo lang gemist, had het zo lang zonder haar liefde moeten doen. Zij stond symbool voor mijn gemiste jeugd. Onbewust hoopte ik dat zij met haar liefde het gemis uit mijn jeugd zou kunnen compenseren.
Ik droomde elke nacht over mijn moeder. Nu ik wist dat ze nog leefde, wilde ik haar geen dag meer missen. Ik beet me er helemaal in vast, gaf alles om mijn familie naar Nederland te halen. Ik dacht dat de hereniging met mijn moeder prachtig zou worden, dat ik eindelijk de familiebasis zou krijgen die ik in mijn jeugd heb gemist. Ik heb jarenlang heel hard mijn best gedaan om hun visa rond te krijgen en huisvesting te regelen. Al mijn energie, tijd en geld gingen op aan mijn droom. Toen ze eindelijk in Nederland waren, heb ik hen in huis genomen, ze verzorgd, alles voor ze betaald.
Het werd een grote desillusie. Mijn moeder en ik bleken vreemden voor elkaar te zijn. We begrepen elkaar niet, spraken niet eens dezelfde taal. Tot mijn teleurstelling kreeg ik geen liefde van haar en bleek ze een zelfzuchtige vrouw te zijn die alleen aan zichzelf en haar twee kinderen uit Pakistan dacht. Ze zei ronduit dat ze naar Nederland was gekomen om Yasmin en Ali Nawaz een betere toekomst te geven, terwijl ik hoopte dat ze ook een moeder voor mij en mijn oudere zussen zou willen zijn. Bovendien hoopte ik dat ze een oma zou zijn voor mijn kinderen en de kinderen van mijn zussen. Ik dacht dat ik mijn moeder terug zou krijgen, maar ik ben haar toen voor de tweede keer kwijtgeraakt.
Ik heb heel lang in het verleden geleefd. Nu de strijd was gestreden en mijn zoektocht was volbracht, voelde ik me verloren. Ik ben eindelijk vrij, maar weet niet wat ik met die vrijheid aanmoet. Wat wil ik eigenlijk met mijn leven, met de toekomst? Ik heb geen flauw idee. Er zijn geen tralies meer. Ik kan doen en laten wat ik wil. Maar ik weet niet waar ik moet beginnen, of waar ik nu naartoe moet. In mijn jeugd heeft nooit iemand de vraag gesteld wat ík wil. Ik heb ook niet geleerd om die vraag aan mezelf te stellen. Als je puur moet zien te overleven is er geen ruimte voor wensen en verlangens.
Ik ben na de mislukte hereniging met mijn moeder, zo’n drie jaar geleden, in een zware dip geraakt. Ik geloof dat ik het een depressie moet noemen. Die depressie eiste zijn tol. Mijn man zei laatst tegen me: ‘Je was ver weg en het voelde alsof wij je niet konden bereiken.’
Ik vind dat zo erg om te horen, maar ik weet dat hij gelijk heeft. Ik wil er zijn voor mijn gezin, doe wat ik kan voor hem en mijn kinderen. Ik probeer het niet te laten merken als ik somber ben en toch voelen ze blijkbaar dat ik worstel. Ik moet nu zo mijn best doen om me blij en gelukkig te voelen, ik zou willen dat het een keer vanzelf ging. Maar de pijn maakt deel uit van mij. Ik moet leren dat het niet erg is om me zo te voelen, dat ik er niet voor weg hoef te lopen. Ik hoef niet meer de schijn op te houden, ik mag zo zijn. Dit gevecht moet ik met mijzelf aangaan.
Misschien dat het schrijven van dit boek me helpt om rust te krijgen. Het is confronterend om het verhaal over mijn traumatische jeugd te vertellen en soms wil ik er het liefst voor wegrennen, er niet meer aan denken. Ik doe dit niet alleen voor mijzelf, maar ook voor alle kinderen die mishandeld worden en voor alle volwassenen die ooit mishandeld zijn. Ik weet dat ik er doorheen moet. Ik heb een oorlogstijd meegemaakt en in een oorlog moet je zorgen dat je onzichtbaar bent. Je moet op je hoede zijn, dat is mijn tweede natuur geworden. Daarom is het voor mij zo moeilijk om mijzelf te laten zien, om spontaan te reageren. Ik ben nog altijd aan het overleven en wil leren hoe ik moet léven. Ik ben veertig jaar, een volwassen vrouw. Het wordt tijd.
HOOFDSTUK 4 – OP DE VLUCHT
Ik verbaas me er nog steeds over dat er al die tijd dat wij mishandeld werden niemand was die iets vreemds zag en ingreep. Volwassenen konden of wilden niet zien wat er bij mij thuis aan de hand was. Het is heel Nederlands om te denken: ik bemoei me er maar niet mee. Wat er achter de voordeur van de buurman gebeurt, daar hoor je je niet in te mengen, ook al worden de kinderen aan de andere kant van de muur zwaar mishandeld.
Ik heb meerdere malen geprobeerd om hulp te vinden, heb aan volwassenen verteld wat mijn vader en stiefmoeder met mij uithaalden. Zeker toen ik klein was, flapte ik er in mijn onschuld regelmatig iets uit. Ik weet zeker dat er mensen in mijn omgeving waren die doorhadden dat mijn zussen en ik mishandeld werden. Maar er was niemand die ons durfde te redden. Ze wisten het niet, ze wilden het niet weten, of ze wisten niet wat ze moesten doen.
Mijn zussen hebben nooit geprobeerd om weg te lopen, daarvoor waren ze te bang. Ik ben mijn hele jeugd bezig geweest om te vluchten. Toen ik vijf was, probeerde ik voor de eerste keer te ontsnappen. Tussen de middag werd een vriendinnetje door haar moeder opgehaald en zij zei tegen mij: ‘Je mag wel met ons mee. Je bent altijd welkom.’ Dat vatte ik nogal letterlijk op. Toen ik tijdens de lunch voor de zoveelste keer mijn braaksel moest opeten dacht ik: weet je wat, ik pak mijn pyjama en ga naar mijn vriendinnetje. Ik wist weg te sluipen met mijn slaapspullen onder mijn arm, rende naar haar huis en belde aan. Toen haar moeder opendeed vroeg ik: ‘Mag ik hier komen wonen?’
Bij de gevolgen stond ik niet stil. Die vrouw had geen idee wat ze met mij en de situatie aan moest. Zij belde de directrice van de school en die lichtte op haar beurt mijn stiefmoeder in. Toen ik ’s middags op school kwam, was mijn stiefmoeder in gesprek met de directrice. Ik hoorde haar zeggen: ‘Hameeda wil geen boterham met kaas eten, maar dat moet ze echt leren. Dat begrijpt u toch ook wel, mag ik hopen?’
Thuis kreeg ik ongenadig op mijn duvel. ‘Jij doet het fout. Straf verdien je zelf, doe je jezelf aan en niemand heeft daar iets mee te maken. Je moet je mond houden. Wat zal de wereld van jou denken als je al die vuiligheid over jezelf op straat gooit? Dom ben je.” Mijn vader wist de zaak goed te verdraaien en naar zijn hand te zetten. En dus zei ik een tijd lang niets meer. Ik had het gevoel dat ik toch niet geloofd werd. Diep in mij bleef er hoop branden. Hoop op verbetering. Het klinkt naïef, maar ik hoopte nog altijd dat het thuis op een dag fijn zou worden. Ik wenste tegen beter weten in dat ze me ooit normaal zouden behandelen. Ik wilde niet geloven dat mijn ouders werkelijk zo slecht waren. Als kind weiger je te accepteren dat je ouders niet van je houden, die waarheid is onverdraaglijk. “Als er op een dag iemand naar me luistert, dan komt het allemaal goed,” dacht ik voor het slapen gaan. Later verloor ik die hoop en besefte ik dat ik er alleen voor stond.
Mijn vader en stiefmoeder hadden geen vrienden, er kwamen zelden mensen thuis. Mijn stiefmoeder had een broer. Hij kwam af en toe langs met zijn gezin. We gingen ook weleens bij hen op bezoek. Zo kon ik zien hoe het er bij andere mensen thuis aan toe ging. Hun kinderen gedroegen zich vrij. Ze stelden vragen, praatten ook als ze niets werd gevraagd en gingen zomaar spelen zonder toestemming. Ik keek er met verbazing naar: dat ze dat durfden.
Mijn stiefmoeders broer en zijn vrouw Annie waren lief tegen ons, ze toonden interesse. Als we bij hen kwamen, gingen mijn zussen en ik automatisch op een rijtje op de bank zitten, zonder wat te zeggen. Annie moedigde ons dan aan: ‘Ga lekker met de andere kinderen buiten spelen!’
Wij zeiden geen woord, verroerden ons niet en hielden vanuit onze ooghoeken mijn stiefmoeder in de gaten. Ik wilde niets liever dan buiten spelen, maar ik durfde niet op te staan. Annie zag onze bange blikken, ik denk dat ze in de gaten had hoe we onder de duim werden gehouden. ‘Dat vind je toch wel goed?’ vroeg ze aan mijn stiefmoeder. Daar kon zij niet anders dan toestemmen. Pas toen we haar goedkeuring hadden, durfden we de kamer uit te gaan om buiten te spelen.
Annie en haar man zagen hoe onderdanig we reageerden. We kwamen een keer met de pantoffels aangerend toen ze bij ons op bezoek waren. Bij ons thuis was dat natuurlijk volstrekt normaal, maar zij zagen verbijsterd toe hoe ik de sloffen aan de voeten van mijn vader schoof. Mijn stiefmoeder kon zich in hun bijzijn niet altijd beheersen. Ze gaf Ayesha een keer zo’n draai om haar oren dat het begon te bloeden. ‘Wat bezielt je?’ vroeg Annie. ‘Dat kind heeft niets gedaan.’ Maar mijn stiefmoeder snauwde dat ze zich er niet mee moest bemoeien. Op den duur verwaterde het contact, ik denk doordat ze kritiek hadden op de manier waarop wij behandeld werden.
De tweede vluchtpoging deed ik op mijn twaalfde. Ik zat in de brugklas van het havo/vwo en bleek een onvoldoende voor wiskunde op mijn rapport te hebben. Ik was in paniek, kon het niet geloven: een vijf! Wat moest ik doen? Hoe kon ik mijn vader ooit nog onder ogen komen? Zou hij slaan? Ik durfde niet naar huis. Uiteindelijk ben ik wel gegaan. Als een zombie deed ik mijn huishoudelijke werk. Naarmate het moment naderde dat mijn vader thuis zou komen werd ik steeds panischer. Ik was bang dat hij door het lint zou gaan. Een vijf, dat zou ik niet overleven.
Rond half zes rende ik in paniek de deur uit. Ik kon maar één iemand bedenken die me zou helpen: Annie. Ik had onthouden dat bus 23 naar Scheveningen ging, waar ze woonde met haar gezin. Ik had geen geld, dus besloot ik lopend de busroute te volgen – ik had geen idee dat het met de bus al anderhalf duurde om er te komen. Ik liep uren en uren, tot het donker werd. Het begon te regenen en ik raakte doorweekt, wist niet meer welke kant ik op moest. De bus reed via Rijswijk, Voorburg en Den Haag naar Scheveningen. In Voorburg raakte ik de weg kwijt. Maar wat er ook gebeurde: naar huis wilde ik niet.Nooit meer.
Midden in de nacht kwam ik aan bij het huis van Annie, uitgeput en totaal verkleumd. Ze schrok van mijn verschijning. ‘Kind, waar kom jij nou vandaan?’ Ik bibberde en bleef één zin herhalen: ‘Ik ga nooit meer terug.’ Toen ze mij hielp om mijn natte kleren uit te trekken, zag ze de striemen op mijn rug en de blauwe plekken op mijn armen. Ze vroeg aan me wat er thuis aan de hand was. Ik vertelde over de mishandelingen, over de klappen die ik kreeg met stokken, kleerhangers en kettingen. Dat mijn vader me dood zou slaan als hij erachter kwam dat ik een onvoldoende op mijn rapport had. Ze troostte me, was zo lief. Eindelijk iemand die me geloofde, nu zou het allemaal goed komen.
Annie belde haar moeder om te overleggen, ik hoorde haar zeggen: ‘Wat een klootzak, ik moet haar daar weghalen.’ Haar moeder adviseerde om de politie te bellen en die zei op haar beurt dat ik terug moest naar mijn ouders. Ik was minderjarig, Annie mocht mij niet bij zich houden. Het bleek dat mijn vader me als vermist had opgegeven, ik stond op de telex. De politie had de plicht hem te informeren dat ik was gevonden.
Vroeg in de ochtend werd ik door mijn vader opgehaald en naar het bureau gebracht. Mijn vader hield een verhaal tegen de politieagent: ‘Hameeda durft niet naar huis, want ze heeft een vijf op haar rapport. Maar meneer, u moet inzien dat er niets aan de hand is, voor de rest heeft ze prachtige cijfers. Ze is in de puberteit, ze doet wel vaker een beetje raar.’ Ik zat er verstijfd bij, kon geen woord uitbrengen. Wat kon ik ook zeggen? Ik maakte geen schijn van kans, moest met mijn vader mee naar huis.
Onderweg naar huis zei mijn vader geen woord. Ik maakte me zo klein mogelijk. Thuis werd ik compleet genegeerd, een week lang sprak niemand tegen me. Toen ik een keer alleen was met mijn vader zei hij ineens iets. Ik schrok ervan, was gewend geraakt aan de oorverdovende stilte. ‘Waarom ben je weggelopen?’
Voor het eerst van mijn leven vertelde ik wat me dwars zat. Ik had niets meer te verliezen, was te murw om angst te voelen. Erger dan dit kon het niet worden. ‘Ik was bang om naar huis te gaan, zei ik. “Bang voor u, voor de klappen. Ik voel me hier ongelukkig en zou willen dat we het beter hadden met elkaar.”
Hij werd woest en sloeg me in mijn gezicht, maar dat maakte me niets meer uit. Mijn woorden hadden geen effect gehad, er veranderde niets.
Op mijn dertiende deed ik de volgende vluchtpoging. Mijn stiefmoeder knipte weer eens hardhandig de haren van mijn zussen aan het kortwieken in de badkamer en ik wachtte op mijn beurt. Zahida en Ayesha kwamen overstuur de kamer in. Hun pony was scheef en er waren allemaal happen uit hun haar. Ze huilden.
Ik wist al wat er zou komen. Nu zou ik onder handen worden genomen, en ik schaamde me al zo voor mijn uiterlijk. Toen ik mijn zussen zag met dat rare haar, vernederd en lamgeslagen, besloot ik dat het genoeg was. Ik zou niet meer met me laten sollen. Ik voelde geen angst, dacht: misschien helpt het als ik duidelijk maak wat ik wil. Kordaat stapte ik op mijn stiefmoeder af: ‘Ik wil niet dat u mijn haar knipt, ik heb liever lang haar.’ Ze werd razend, sloeg me om mijn oren en schopte me de badkamer in. Daar moest ik me uitkleden en zou het vernederende ritueel zich herhalen.
Ik had me al half uitgekleed toen ik een rood waas voor mijn ogen kreeg. Ik wilde dit niet meer en dacht: ik ga weg en kom hier nooit meer terug. Ik had alleen mijn T-shirt en broek nog aan, maar had geen tijd om me weer aan te kleden. Ik griste mijn spaarpotje van de plank in mijn slaapkamer, snelde op blote voeten de trap af. In de gang stonden de laarzen van mijn stiefmoeder, maat 42. Zonder na te denken pakte ik ze mee en ik rende zonder jas de straat op.
Het was hartje winter. Het vroor. Ik rende met mijn spaarpot onder mijn arm, op die veel te grote laarzen, naar de bank. Er zat een speciaal slot op de spaarpot dat alleen daar geopend kon worden. Gelukkig wilde de medewerkster achter de balie meewerken. Vijfentwintig gulden zat erin.
Waar moest ik heen? Wie zou me helpen? Ik wist dat bus 18 naar het centrum ging, dus die nam ik toen maar. In de stad doolde ik rond tot de winkels sloten. Het was koopavond en tegen sluitingstijd trokken de winkelaars van buiten de stad naar het station -- ik volgde de stroom. Ik had geen idee waar ik heen zou gaan, ik wist alleen dat ik zo ver mogelijk van huis moest zien te raken om nooit meer terug te komen. Ver weg, dat was bijvoorbeeld Amsterdam. Dus kocht ik bij het loket een enkeltje Amsterdam.
Toen ik de trein instapte, werd ik me bewust van de blikken van medereizigers. Ik zag er niet uit, veel te dun gekleed en met die idiote laarzen aan. In een lege coupé had ik geen last van de ongewenste aandacht. Toen de trein begon te rijden voelde ik me een kort moment gelukkig: weg. Naar Amsterdam. En nooit meer terug.
Het Amsterdamse centraal station bleek groot en vreemd. Ik hing een beetje rond, had het vreselijk koud en voelde me hongerig. Het werd donker en langzaam maar zeker raakte ik overstuur. Wat deed ik hier? Waar moest ik heen? In een glazen wachthok viel ik uitgeput in slaap. Toen ik wakker werd, was het nacht. Als in een droom stond ik op en ging ik lopen, zomaar een kant op. Na een paar uur ben ik in een portiek gekropen, beschut tegen de koude wind. Daar viel ik op de betonnen portiekvloer in slaap tot de volgende ochtend.
Wat daarna is gebeurd, weet ik niet meer. Ik heb gaten in mijn geheugen en als ik aan die periode terugdenk, voelt mijn hoofd leeg. Lopen, slapen, lopen, dat is het enige wat ik me herinner. Ik weet dat ik in een winkelcentrum een jas heb gepikt en dat ik, in navolging van een zwerver, brood uit een vuilnisbak haalde. Voor mijn gevoel duurde die zwerftocht eindeloos, maar het zullen hooguit een paar dagen geweest zijn.
Uiteindelijk sprak een mevrouw me aan, ik weet niet hoe ze heette of waar ze vandaan kwam. Ik zat in een bushokje en ze vroeg waar ik naartoe ging. Ik wist niet wat ik moest zeggen, durfde haar niet in vertrouwen te nemen. ‘Kan ik je helpen? Zal ik je naar huis brengen?’ vroeg ze.
Ik bekende dat ik was weggelopen. Zij bracht me naar stichting Release die kinderen zoals ik hielp. Tijdens de intake deed ik mijn verhaal. Ik was murw van de honger en het slaapgebrek, maar ook opgelucht. Eindelijk had ik een dak boven mijn hoofd en was ik niet meer alleen.
Ik mocht er een paar weken blijven, daarna moest ik naar Den Haag. Dat waren de regels, ik hoorde niet tot hun regio, zeiden ze. Ik wilde per se niet zo dicht in de buurt van mijn vaders huis wonen, maar het kon niet anders. Ik liet alles maar over me heen komen, ging met ze mee naar Den Haag, waar ik weer een intakegesprek moest voeren met een hulpverlener die ik nog nooit had gezien. Omdat zij de ernst van mijn situatie inzagen, werd ik op tijdelijke adressen bij onbekende mensen ondergebracht. Ik moest me schuilhouden als een misdadiger en mocht met niemand uit mijn vorige leven contact zoeken. Het was niet geoorloofd langer dan enkele weken op eenzelfde adres te verblijven. Mijn vierde onderduikadres was bij een man die zelden thuis was. Hij kwam alleen zo nu en dan langs om me eten te geven. Ik zat weken alleen en vloog op het laatst tegen de muren op. Ik ging niet naar school, had al in geen maanden leeftijdsgenoten gesproken. Ik heb toen stiekem, tegen de regels in, een vriendinnetje gebeld. Zij was blij om mijn stem te horen en riep enthousiast: ‘Ik kom meteen naar je toe!’
Ze nam kleren en muziek voor me mee. Ik was zo blij haar te zien. De rode jurk die ze me gaf, een extravagant model met kant en stroken, trok ik direct aan. ‘Hameeda, je wordt gezocht,’ sprak ze later op serieuze toon. ‘De politie is op school geweest en heeft allerlei vragen gesteld.’ Ik schrok. ‘Je zegt niets hoor, over mij. Niets. Tegen niemand. Beloof je dat? Ze zwoor dat ze haar mond zou houden -- en ze heeft haar belofte gehouden. Bij het afscheid omhelsden we elkaar.
Toen ik weer alleen in dat vreemde huis zat, kreeg ik het spaans benauwd. Ik wilde naar buiten. Ik maakte mezelf wijs dat ik tandpasta nodig had. Ik trok de stad in en daar ging het meteen mis. In het centrum van Den Haag stopte een politiewagen naast me, de agenten stapten uit en vroegen of ik Hameeda heette. Ik was met stomheid geslagen, begreep niet hoe ze konden weten wie ik was. Het bleek dat ik op de telex stond, dat iedere agent in Den Haag en omstreken wist dat ik gezocht werd. Ik had een paar dingetjes in mijn tas die ik uit geldgebrek had gepikt en moest mee naar het bureau in Rijswijk.
Daar trof ik de rechercheur die me eerder op het bureau had ontvangen. Hij was lief voor me, gaf me raad. Hij vroeg of ik wilde leven als een dief en zei dat ik zo niet verder kon. Ik gaf hem gelijk, ik wist dat het verkeerd was wat ik had gedaan. ‘We gaan thuis praten en dan komt alles goed,’ zei hij. Toen ik voor de deur van mijn ouderlijk huis stond, had ik toch weer hoop. Misschien hadden mijn ouders hiervan geleerd en zou alles anders worden.
Maar mijn vader had me niet gemist. Hij keurde me geen blik waardig. We gingen met het gezin om de tafel zitten en de rechercheur vroeg me te vertellen wat er was gebeurd. Ik besloot het erop te wagen, in de hoop dat de situatie nu dan eindelijk beter zou worden voor ons allemaal. Ik was lang weggeweest, de politie bemoeide zich er serieus mee: dit was menens, mijn vader en stiefmoeder konden nu niet meer om de problemen heen.
Toen ik uitgepraat was, vroeg de rechercheur aan mijn zussen: ‘Herkennen jullie Hameeda’s verhaal? Is het waar wat ze vertelt?’ Met hun ogen op de tafel gericht schudden ze hun hoofd. Tot mijn verbijstering ontkenden ze. Wat was ik woedend. Ik voelde me verraden. De rechercheur nam me apart. ‘Ik kan niets anders doen dan je hier achterlaten. Als er wat is, kun je me altijd bellen,’ zei hij.
Ik heb me nog nooit zo alleen gevoeld als toen. Niemand praatte tegen me en ik werd in mijn kamer opgesloten. Ik kreeg alleen water en brood, dat elke dag in stilte voor mijn deur werd gezet. Ik zwoor dat ik het mijn zussen nooit zou vergeven.
Pas veel later heb ik begrepen dat mijn zus na het gesprek tegen mijn vader heeft gezegd dat ze de hond ging uitlaten. Zodra ze de deur uit was, is ze de rechercheur achterna gerend om hem, buiten gehoor van mijn vader, te zeggen dat mijn verhaal wel degelijk klopte.
Twee weken lang zat ik opgesloten. Ik mocht niet naar school, met niemand spreken. Ik kon niet weg, zat daar maar. Op een dag stond mijn vader in mijn kamer. Dreigend. Er was niemand thuis en ik zag geen enkele mogelijkheid om weg te komen. Hij sleurde me de trap af. ‘Deze keer ben je te ver gegaan,’ siste hij.
Hij liet me alle hoeken van de kamer zien, sloeg en trapte tot ik op de grond viel. Ik bleef stil liggen en nog trapte hij door. Ik dacht: dit overleef ik niet. Ineens hield hij op. ‘Dit is de laatste keer geweest,’ zei hij, ‘de volgende keer maak ik je dood.’ Hij ging weg, deed de deur dubbel op slot.
Panisch zocht ik een vluchtweg. We woonden in een galerijflat en de keuken zat aan de voorkant. Via het keukenraam heb ik me op de galerij laten vallen en daar bleef ik liggen. Ik kon niet meer overeind komen. De buren vonden me en brachten me naar het politiebureau. Daar was weer dezelfde rechercheur als de vorige keren. Hij liet foto’s maken van mijn rug, mijn gezicht, armen en benen. Ik was bont en blauw. Eindelijk had ik genoeg tastbaar bewijs, eindelijk werd ik geloofd.
Mijn vader moest op het bureau komen. Hij wist dat het spel was uitgespeeld en liet zich kennen. ‘Jij bent dood voor mij!’ riep hij. Hij schold me uit voor hoer en voor leugenaar. Tegen de rechercheur zei hij: ‘Houd haar uit mijn buurt, voor mij bestaat ze niet meer. Ze is dood.’
Ik zat te bibberen van angst. Toen mijn vader weg was, vroeg de rechercheur: ‘Wat moeten we nou met jou aan?’ Hij begon over een pleeggezin, maar dat vond ik geen optie. ‘Ik wil geen nep-vader en nep-moeder meer, ik wil op mezelf wonen,’ antwoordde ik. ’Je bent nog te jong, Hameeda.’ Ik was veertien jaar. ‘We gaan een kindertehuis voor je zoeken.’. Op dat moment werd het gesprek onderbroken. De rechercheur werd weggeroepen om te assisteren in een onderzoek en er kwam een nieuwe, onbekende agent voor me zitten die duidelijk ook niet wist wat hij met me aan moest. Hij besloot dat ik, zo lang er geen opvangplek was gevonden, het beste op het bureau kon bivakkeren.
Wie overnachtte op het bureau moest zijn spullen en kleren inleveren, zo waren de regels. Voor mij werd geen uitzondering gemaakt. Ik moest zo’n blauw pakje aan, werd in een cel gezet en de deur ging op slot. Voor mijn gevoel zat ik in de gevangenis. Ik had op dat moment geen hoop meer, was mijn vertrouwen in de mensheid kwijt. Mijn vader zat lekker in zijn eigen huis, terwijl ik als de eerste de beste misdadiger gevangen zat: wat was dit voor wereld? Ik was kapot, had pijn en kon alleen nog wezenloos voor me uit staren. Ondanks mijn vermoeidheid lukte het me niet om te slapen.
Een paar dagen later was er een plek in een opvanghuis gevonden. Daar bleef ik zes maanden. Ik ben nog één keer stiekem terug gegaan naar mijn ouderlijk huis. Ik besefte hoe gevaarlijk dat was, maar ik voelde een vreemde aantrekkingskracht. Ik had helemaal niets meer van mezelf, miste mijn vertrouwde spullen: mijn kleren, mijn schriften en tekeningen. Ik moest en zou terug om ze te halen. Het was ook een gevoel van rechtvaardigheid dat me dreef. Ik had recht op die spulletjes, het waren mijn bezittingen.
Ik had nog steeds een huissleutel in mijn bezit en op een tijdstip waarvan ik wist dat er niemand thuis zou zijn, liet ik mijzelf binnen. Ik sloop naar boven, naar mijn oude kamer. Daar trof ik in mijn kledingkast twee vuilniszakken aan. Voor de rest waren mijn kasten leeg, het was net of ik er nooit had gewoond. Voorzichtig frunnikte ik een vuilniszak open. Bovenop lagen een paar tekeningen en mijn poëzie-album, die ik in de haast heb meegepakt. Daarna ben ik nooit meer in het huis geweest.
Een nieuw leven begon. Natuurlijk was ik opgelucht dat ik ontsnapt was, maar ik voelde me ook verdrietig. Geen kind wil van huis weg zijn. Ik was ternauwernood aan de dood ontsnapt, was diep ongelukkig geweest bij mijn vader en stiefmoeder en toch vond ik het vreselijk om een thuis te moeten missen. Ik voelde me ontheemd.
Na zes maanden in een tijdelijke opvanghuis voor meisjes te hebben gewoond, kreeg ik een vaste plek in een kindertehuis. Ook daar had ik het gevoel dat ik werd gestraft. Ik was mijn zussen kwijt, had geen ouders meer, geen huis. Waar had ik dit aan verdiend? De andere kinderen die er woonden, gingen één keer per maand, of elk weekend naar huis. Zij hadden nog contact met hun ouders, een plek waar ze naartoe konden gaan. De maatschappelijk werkster, die mij werd toegewezen via de politie heeft geprobeerd om een gesprek tussen mij en mijn vader te arrangeren, maar hij weigerde. Ik deed of het me niets kon schelen, zei tegen haar: ‘Laat maar, ik ben toch dood voor hem.’
Ik heb mijn vader in die tehuisjaren nog één keer gezien. Toen ik zestien jaar was, had ik een handtekening van hem nodig voor een toeristenkaart. We gingen met het tehuis naar Engeland op vakantie en aangezien ik geen eigen paspoort had, was dit de enige manier. Mijn vader had nog altijd de voogdij, na alles wat er was gebeurd. Dat ik rechten had, wist ik niet. Er is nooit iemand geweest die me heeft verteld dat ik aangifte kon doen, dat hij op basis van de mishandelingen uit de ouderlijke macht kon worden ontzet. Ik was, ook nu ik in een tehuis woonde, afhankelijk van hem; als ik naar het buitenland wilde, had ik zijn formele toestemming nodig. Hij was mijn vader en mijn voogd, al had hij me doodverklaard en heeft hij sinds mijn uithuisplaatsing geen cent meer voor me betaald en nam hij op geen enkele manier zijn verantwoordelijkheid.
En dus ging ik met een lid van de groepsleiding naar zijn zaak, een wassalon, om zijn handtekening te bemachtigen. Ik wilde graag mee met vakantie, verheugde me erop om naar het buitenland te gaan. Toen mijn vader me met de leidster in de wassalon zag staan ging hij door het lint. Hij schreeuwde: ‘Het verbaast me dat je nog leeft, dat je geen zelfmoord hebt gepleegd.’ Op het moment dat ik me omdraaide om te vluchten, zei hij: ‘Zit je nog niet achter het raam, hoer?’
De leidster en ik zijn hard weggerend. Uiteindelijk heeft de leiding een identiteiskaart via een omweg weten te regelen en kon ik alsnog mee op vakantie.
Zelf bedenken wat ik wilde dragen. Zomaar alleen de stad in. Met de tram. Praten zonder toestemming. De vrijheid die ik had verworven was overweldigend.
In het tehuis bloeide ik op. Spreken ging direct beter, binnen een paar maanden stotterde ik bijna niet meer. Het tehuis hield vergaderingen met de hele groep die ik mocht notuleren. Ze zagen dat zo’n taak mij lag, dat ze het aan mij konden overlaten. Ik mocht daarna ook een keer de gespreksleidster zijn, dat waren belangrijke momenten voor mij. Ik kreeg weer een beetje zelfvertrouwen, ontwikkelde me.
Ik had wel moeite om mensen te vertrouwen. Een groepsleidster ontfermde zich over me. Ze woonde nog thuis en in het weekend nam ze me spontaan mee naar het huis van haar ouders. Ik vond het fijn, maar kon met die hartelijkheid niet goed omgaan. Ik was wantrouwig, kon niet geloven dat andere mensen me aardig vonden. Ik wist me geen houding te geven.
De vrijheid bleek voor mij op den duur te heftig. De omslag in mijn leven was zo radicaal, ik kon er niet mee uit de voeten. Het was heerlijk, maar ik raakte er ook van in de war. De paar regels waar ik me nog wel aan moest houden lapte ik aan mijn laars. Ik ging spijbelen, zette me af tegen de leiding. Ik sloeg door naar de andere kant, niemand kon mij meer wat vertellen. In die eerste maanden dat ik van huis was raakte ik psychisch en in praktische zin behoorlijk de weg kwijt.
Maar er waren ook veel positieve kanten aan mijn nieuwe zelfstandigheid. Ik ging me ontharen! Dat voelde kilo’s lichter. Eindelijk was ik van die lelijke snor en beharing af! Mijn haar liet ik groeien en ik begon op een meisje te lijken.
Ik gedroeg me extreem, kleedde me extreem. Toen ik in het kindertehuis aankwam, bezat ik niets. Aanvankelijk leende ik kleding van de andere meisjes, daarna kreeg ik mijn eigen geld om kleren te kopen. Ik was vijftien jaar en moest leren om te kiezen, om mijzelf te kleden. Ik onderzocht wat kon en niet kon, wist niet hoe het moest. Ik keek bij de meisjes in het tehuis af hoe je je hoorde te kleden, maar had geen eigen smaak of stijl. Van een verlegen meisje veranderde ik in een stoere, zelfverzekerde meid – althans, voor de buitenwereld. Ik deed wereldwijs, terwijl ik ergens ook nog het kind was dat het goed wilde doen, dat verlangde naar bevestiging en goedkeuring. Diep in mijn hart was ik zo onnozel, zo onwetend. Een groot deel van het leven was aan mij voorbij gegaan, ik wist in sommige opzichten meer dan leeftijdgenoten maar had ook nog veel te leren.
De groepsleiders aan wie ik me hechtte, gingen vroeg of laat weer weg. Het personeel wisselde snel, de meeste begeleiders werkten maar een of twee jaar in het tehuis. Ik trok me hun vertrek heel persoonlijk aan, voelde me in de steek gelaten. Ik wilde me op den duur niet meer hechten, in de hoop dat ik dan niet meer die diepe pijn zou voelen als er weer iemand uit mijn leven verdween.
Van mijn zussen hoorde ik maandenlang niets, ik denk dat mijn vader ze had verboden om contact op te nemen. Toen ze uiteindelijk belden, heb ik gezegd dat ze mij met rust moesten laten. Ik kon die twee werelden niet met elkaar rijmen. Ik moest me concentreren op mijn nieuwe leven, mij handhaven in een groep meisjes – wat niet meeviel. Het gevoel van gemis toen ik mijn zussen aan de lijn had, wilde ik niet toelaten. Ik probeerde mezelf hard te maken en niet te veel te voelen, dat was mijn manier om me staande te houden. Gevoel was lastig, dat kon ik er niet bij gebruiken. Doorzetten was het devies, ik was vast van plan om er wat van te maken. Ik was definitief ontsnapt, mijn vader en stiefmoeder konden me niet meer raken. Mijn leven was eindelijk begonnen.
EPILOOG
Als ik naar mijzelf kijk, besef ik dat er veel ten goede is veranderd. In dit boek beschrijf ik wat het kan aanrichten als je in je jeugd wordt mishandeld en verwaarloosd. Onvermijdelijk komen daarbij de sombere, zware kanten van zo’n achtergrond naar voren. Ik wil bekendheid geven aan en erkenning vragen voor de strijd die mishandelde kinderen moeten leveren om te overleven, in hun jeugd en als ze volwassen zijn. Ik wil de pijn en de moeite die het kost om een gelukkig leven te leiden laten zien.
Ik ben een eind op weg, maar ik ben er nog niet. Ik heb de neiging om mezelf weg te cijferen en moet leren dat ik zelf ook belangrijk ben, dat niet alles om anderen draait. Mijn hele jeugd heb ik moeten horen dat ik blij mocht zijn dat ik naar school kon en een opleiding kon volgen. In materieel opzicht kwamen we niets tekort; als kind was ik blij wanneer ik schaatsen kreeg met kerst, of als ik een rok kreeg met een bijpassende blouse. Als volwassene weet ik dat dat de rechten van een kind zijn, ouders hóren voor hun kinderen te zorgen en ze liefde en aandacht te geven. Toen ik klein was, dacht ik dat ik alles wat ik kreeg moest verdienen, voor mij was niets vanzelfsprekend.
Dat zit er nu nog ingebakken: mag ik wel genieten? Heb ik het verdiend, heb ik wel genoeg mijn best ervoor gedaan? Automatisch zet ik mijn man en mijn kinderen op de eerste plaats. Ik vind het fijn om ze te verwennen, maar ik leer nu steeds beter dat ik ook voor mezelf iets mag kopen. Ik ga naar een uitstekende kapper en draag mooie kleren; dat doet me goed.
Nu ben ik een sterke vrouw die weet wat ze wil. Ik ben die vrouw geworden ondanks mijn slechte jeugd, maar ik ben haar ook geworden door mijn jeugd. Mijn vader en stiefmoeder zijn er niet in geslaagd om mij te breken. Ik leef nog, ik heb het overleefd. Ik heb nog evenveel wilskracht als toen ik klein was en vast van plan was te ontsnappen. Ik heb een gezin, een man en kinderen die van mij houden. Ik heb licht en vrolijkheid om mij heen.
Dit leven heb ik zelf gecreëerd, het lijkt in niets op het zwarte, sombere leven dat ik noodgedwongen leidde toen ik klein was. Ik wil beoordeeld worden op wie ik nu ben en niet gezien worden als die vrouw met die moeilijke jeugd. Ik ben geen zielig persoon die medelijden verdient, ik verdien het om serieus genomen te worden.
Met het schrijven van het boek kan ik het onderwerp kindermishandeling opnieuw ter sprake brengen en onder de aandacht van het grote publiek brengen. Ik hoop dat Geheim geweld een grote steun is voor lotgenoten, en dat het mensen als hulpverleners en politici de ogen opent zodat de ernst van de misdaden tot ze doordringt. Geestelijke en lichamelijke mishandeling kost de staat miljarden omdat veel mensen kampen met jarenlange psychische problemen.
Grote uitdaging in mijn leven is om mijn jeugd een positieve draai te geven. Vroeger droomde ik mijzelf weg. Nu ben ik klaar wakker. Ik zie waar ik sta en wat ik kan betekenen in deze maatschappij die vooral de ogen wil sluiten. Maar voor kindermishandeling kán men de ogen niet langer sluiten. Er moeten wetten opgesteld worden waarin wordt geregeld dat de daders, man of vrouw, en ook degenen die kindermishandeling oogluikend toestaan, medeplichtig zijn en door de rechtbank kunnen worden gestraft. Er mag geen verjaringstermijn gelden voor geweld dat gepleegd wordt tegen een weerloos kind.
Er moet openheid komen over kindermishandeling, we moeten leren hoe we met slachtoffers moeten omgaan en hoe we ze kunnen helpen.
Als dit boek een aanzet is tot een maatschappelijke discussie en erkenning van het probleem dan is mijn doel en missie geslaagd.
Mensen willen niet altijd over schokkende gebeurtenissen lezen, het is te confronterend. Maar kindermishandeling en de gevolgen ervan zíjn schokkend. Het valt niet meer te ontkennen dat het voorkomt in onze samenleving, iedereen kan ermee geconfronteerd worden. Misschien is het de leerkracht die constateert dat een kind niet goed kan meekomen in de klas, en vol zit met blauwe plekken. Misschien zijn het de buren die het schreeuwen en huilen horen, maar niet weten hoe ze erop moeten reageren. Het kunnen artsen zijn die de bewijzen in handen hebben doordat ze de kneuzingen en de littekens, maar ook de familieleden van het kind of andere kinderen die dagelijks omgaan met de slachtoffers zijn van het geweld.
Geheim geweld is een verhaal over overleven. Als kind dacht ik dat ik alleen was. Ik was niemand en voelde me een verliezer. Ik wilde zijn zoals andere kinderen, en later, toen ik volwassen was, wilde ik eerst net zo zijn als andere mensen.
Toen besefte ik dat dat niet kon. Ik was nog steeds een buitenstaander. Maar ik was ook meer. Ik was een overwinnaar. Een overwinnaar van geweld.
Mijn innerlijke kracht is mijn mooiste bezit. In de duistere tijden waarin mijn lichaam bijna niet verder kon, bleef mijn geest altijd overeind. Het is misschien raar te zeggen, maar zonder mijn traumatische jeugd zou ik waarschijnlijk nooit geworden zijn wie ik nu vandaag ben.
Ik heb het geluk gehad mijn duisternis om te zetten naar licht. Mijn tragedie werd een overwinning.
Als klein meisje staarde ik verlangend uit het raam. Zo ver mogelijk probeerde ik te kijken, over de daken en de bomen. Ik hoopte dat ik daar op een dag zou zijn. Ik wilde de horizon bereiken, dan zou ik vrij zijn.
Een groot deel van mijn leven heb ik geprobeerd te vluchten. Als ik maar weg was, ver weg van mijn vader, van mijn stiefmoeder, van alles wat naar en onveilig was. Ik fantaseerde erover om in een Israëlische kibboets te gaan werken, om naar Amerika te gaan, weg van Nederland – het land waar mijn vader me naartoe heeft gehaald toen ik klein was. Ik wilde overal naartoe, behalve naar Pakistan, mijn geboorteland. Pakistan doet me aan mijn familie denken, aan alles wat ik heb verloren. Of misschien moet ik zeggen: aan alles wat ik nooit heb gehad.
Ik heb bijna geen tastbare herinneringen aan vroeger. Geen speelgoed, geen dagboeken, geen fotoalbums. Een paar jaar geleden bleek mijn moeder foto’s in haar bezit te hebben van toen mijn zussen en ik klein waren.
Eén foto is gemaakt in de speeltuin. Mijn twee oudere zussen, Zahida en Ayesha, kijken met strakke gezichten in de camera. Ik heb een marinejasje aan, afgebiesd met goudkleurige strepen en met zes goudkleurige knopen, waar ik vroeger heel trots op was. Vier jaar ben ik op die foto, ik zit op het klimrek en ben de enige van ons drieën die lacht. Mijn ogen glinsteren en ik kijk onverschrokken. Ik ben een meisje dat gekke dingen uithaalt, dat giechelt om niets en nieuwsgierige vragen stelt. Ze lacht, die kleine Hameeda.
Wanneer ik dat beeld zie, word ik weemoedig en droevig tegelijkertijd. Ik mis haar, daar komt de weemoed vandaan. De onbevangenheid die ik toen had, komt nooit meer terug. En ik ben verdrietig omdat het meisje op de foto geen idee heeft van wat haar boven het hoofd hangt. Ze weet nog niet dat ze jarenlang zal worden geslagen en vernederd, dat ze een jeugd zonder liefde tegemoet gaat. Aan de ernstige gezichtjes van mijn oudere zussen zie je dat zij al wel beseffen dat ze gevangen zitten, dat er geen kans is om te ontsnappen aan het geweld.
Mijn vader achtervolgt me in mijn dromen. Zijn gezicht is vertrokken van woede en hij schreeuwt dat hij me toch wel te pakken zal krijgen, waar ik ook naartoe vlucht. Hij scheldt me uit voor hoer, voor alles wat vies en lelijk is. Na zo’n nachtmerrie word ik bang wakker en vind ik het moeilijk om aan de dag te beginnen. Ik vraag me af of het me ooit zal lukken om gelukkig te zijn. Ik wil het graag leren, maar ik weet niet hoe.
Ik heb een man, ik heb twee tienerdochters, ik heb een eigen leven nu. Ik ben een volwassen vrouw van veertig. Ik weet dat het geen zin heeft om te vluchten, omdat ik mijzelf meeneem, waar ik ook naartoe ga. En toch, als ik eerlijk ben, geloof ik dat ik nog elke dag bezig ben om weg te komen. Ik probeer te ontsnappen aan het verleden, aan degene die ik door al het geestelijke en lichamelijke geweld geworden ben.
Ik heb altijd tegen mezelf gezegd: ga door, knok voor jezelf. Ik heb een sterke drang tot overleven, dat is mijn redding geweest. Ook al sloeg mijn vader me, ik bleef vastbesloten om me niet klein te laten krijgen. Maar ik wil nu niet meer vechten, niet meer constant zo mijn best doen om iets van mijn leven te maken. Ik zou zo graag willen ontspannen en plezier maken, zoals andere mensen. Ik wil het gevoel krijgen erbij te horen en te leven, in plaats van toeschouwer te zijn. Ik ben weleens bang dat mijn vader het gevecht toch nog gewonnen heeft – al vind ik die gedachte te angstaanjagend om toe te laten.
Mijn vader bezoekt me in mijn dromen, maar ook overdag zie ik hem. De beelden verschijnen zomaar op mijn netvlies, zonder dat ik er controle over heb. Het kan gebeuren als ik de was ophang, als ik aan tafel zit met een kopje thee, of als ik gedachteloos door het huis loop. Ik zie hoe hij mijn oudste zus Zahida slaat tot haar hele gezicht bloedt. Mijn vader blijft maar slaan, haar armen en benen zijn bont en blauw. Hij schreeuwt, trekt aan haar haren tot de plukken in het rond dwarrelen. Het beeld is zo sterk dat het net is alsof ik weer in het huis ben waar ik vroeger woonde. Het tapijt ligt vol met plukken haar, ik kan mijn ogen er niet vanaf houden. Ik zie hoe mijn vader Ayesha tegen de muur gooit, keer op keer. Haar neus bloedt en ik ben bang dat ze niet meer op zal staan, dat ze het dit keer niet zal overleven. Deze keer gaat het definitief mis, deze keer zal mijn vader haar vermoorden. Hij schreeuwt: ‘Je bent een hoer! Je komt uit de goot! Je verdient het niet om te leven!’ Alle nare woorden die hij ook zo vaak tegen mij geroepen heeft. Mijn zus huilt niet, ondergaat het stil. Na afloop zitten de bloedspatten op het behang.
Op onverwachte momenten komt de angst van vroeger terug. Ik voel dan grote druk van binnen, krijg bijna geen adem. Mijn spieren raken verkrampt en de spanning neemt bezit van me. Van de zenuwen krijg ik dan geen woord uit mijn mond. Als ik een onschuldig, zakelijk telefoontje moet plegen begin ik soms zomaar te stotteren, net als vroeger. Het verbaast me dat ik van die gevoelens nog altijd last heb.
Het is alsof er twee personen in mij zitten. Ik kan nog dat onverschrokken meisje van de foto zijn, lacherig en aanwezig, vol met wilde plannen -- dat is het kind in mij van wie ik houd. Maar in mij zit ook die andere persoon, degene die angstig is en alles over zich heen laat komen. De Hameeda die zich laat slaan en vernederen, die alleen maar bezig is om te overleven. Ik heb die persoon in mij jarenlang ontkend, haar net zo gehaat als mijn vader indertijd. Ik ben jarenlang boos op haar geweest, heb dat meisje waar ik zo’n hekel aan heb almaar weggeduwd. Nu weet ik dat ik pas verder kan groeien wanneer ik dat kind toelaat en accepteer. Dat meisje dat zij nooit heeft mogen zijn. Zo vertrouwd met leed en pijn. Ik kan wel doen of ik dat bange meisje niet ken, maar ik ben dat óók. Ik heb alleen nooit geleerd om onvoorwaardelijk van haar te houden.
Als ik me weer dat angstige kind voel en weer terug in mijn jeugd ben, vind ik het moeilijk om andere mensen te zien, om contact te maken. Pas geleden had ik een receptie. Ik wilde er graag naartoe, maar toen de dag naderde, begon ik er steeds meer tegenop te zien. In mijn hoofd voerde ik almaar hetzelfde gesprek: ga nou maar, je moet onder de mensen komen, zei mijn verstandige stem. Ik wil niet, ik kan het niet, ik ben bang, zei mijn laffe stem. Ik bleef er maar tegenaan hikken. Op de dag zelf zat ik nog te twijfelen of ik ernaartoe zou gaan. Uiteindelijk ging ik toch omdat ik de gastvrouw niet teleur wilde stellen. Met een bang hart reed ik naar Amsterdam. Ik reed rondjes over de gracht om een parkeerplaats te vinden en hoopte dat er geen plekje vrij zou zijn. Net toen ik rechtsomkeert wilde maken, zag ik een auto voor me uitparkeren.
De receptie was in een bruine kroeg, het lawaai van vrolijke mensen kwam me tegemoet zodra de deur open ging. Ik glipte naar binnen en probeerde te glimlachen. Ik groette bekenden, bestelde een spa blauw bij de bar om mijzelf een houding te geven. Ik ging bij een groepje gasten staan, probeerde mee te praten en te lachen. Zij zagen er ontspannen uit, dronken wijn, rookten sigaretten. Ik wist mezelf geen houding te geven, had het idee dat ik niets te vertellen heb. Vol verbazing keek ik naar de mensen om mij heen, die schijnbaar moeiteloos luchtige gesprekken voerden. Ik wilde weg, kreeg het benauwd. Ik probeerde wel om een gesprek te voeren, maar kon me niet concentreren.
Ik bleef het glas vasthouden, lang nadat het leeg was. Toen iemand het van me overnam, begon ik te frunniken aan mijn kleren. Ik vroeg me af of het aan me te zien was dat ik me niet op mijn gemak voelde. Ik wist dat er geen reden was om me onzeker te voelen; ik was uitgenodigd, dus mocht ik er vanuit gaan dat mensen het leuk vonden dat ik aanwezig was. Maar het onzekere gevoel was sterker dan ikzelf.
De eenzaamheid overviel me, in dat volle café. Het gevoel dat ik er niet bij hoorde werd steeds sterker. Ik ging nog maar wat te drinken halen. Ik liep doelloos door het café en wist niet wat ik moest doen. Moet je op iemand afstappen? Hoe gedraag je je? Wat zeg je? Ik heb nooit geleerd om me te handhaven in een groep.
Ik ging bij een ander groepje vrouwen staan en luisterde mee. Ik bewonderde ze omdat ze de juiste toon wisten te vinden, vlot ingingen op wat er werd gezegd. Ze praatten over de politieke ideeën van Ayaan Hirsi Ali, over gezamenlijke kennissen, over de laatste film die ze gezien hadden. Ze vonden steeds weer nieuwe onderwerpen en maakten grappige opmerkingen waar de anderen om moesten lachen. Hoe deden ze dat? Hoe konden ze hun aandacht erbij houden? Ik viel weg. Ik stond erbij, maar eigenlijk was ik er niet. Ik luisterde stil en maakte me klein: sorry dat ik er ben, dat ik besta. Ik kan me goed onzichtbaar maken.
Ik ben niet altijd zo. Alleen als ik te veel met mijn verleden bezig ben, word ik weer die onzekere persoon van vroeger. Ik kan juist geanimeerd discussiëren, fel zijn als ik mijn mening verdedig. Op goeie dagen gaat het vanzelf. Tot mijn verbazing merk ik dan hoe blij andere mensen zijn om me te zien. Maar op mindere dagen trek ik me terug. Ik heb in mijn jeugd niet geleerd hoe je je handhaaft in een groep en daarom voel ik me op zo’n receptie een buitenstaander.
Door mijn kinderen word ik geconfronteerd met wat ik vroeger heb gemist. Mijn dochters nemen vaak vriendjes en vriendinnetjes mee naar huis. Na schooltijd komen ze uitgelaten binnengerend, ze maken lawaai, zijn met elkaar aan het lachen en klieren. We drinken samen wat, we kletsen even over wat ze op school hebben meegemaakt en ik geef ze een dikke knuffel. Voor ik het weet, rennen ze weg met hun vriendjes om te gaan spelen. Het maakt me blij om te zien dat ze echt contact maken.
Tegelijkertijd herinnert het me aan wat mij is onthouden. Natuurlijk gun ik het mijn kinderen als geen ander dat ze zo ongeremd plezier kunnen maken, dat ze de kans krijgen om vriendschappen aan te gaan, maar ik voel me ook weemoedig omdat ik dat zelf nooit heb gekend.
Het zijn de kleine dingen die me nog altijd verbazen, de dingen die voor anderen vanzelfsprekend zijn. Laatst kwam mijn dochter thuis met een paar nieuwe oorbellen, die ze zomaar van haar zakgeld had gekocht, zonder te overleggen. Ik was zo trots op haar! Ik keek toe terwijl ze de oorbellen indeed voor de spiegel en zichzelf bewonderde. Ik was blij en droevig tegelijk. De melancholie overviel me. Mijn stiefmoeder bepaalde hoe ik eruitzag en ik mocht in mijn jeugd nooit wat zelf uitkiezen.
Ik probeer mijn kinderen dat te geven wat ik zelf niet heb gehad. Ik wil ze leren dat ze er mogen zijn, dat zelfrespect belangrijk is en dat ze zich niet voor zichzelf hoeven te schamen. Ik wil ze alle liefde en aandacht geven, wil voorkomen dat ze zich ooit zo bang en eenzaam zullen voelen als ik.
Het is vreemd, ik weet anderen heel goed te vertellen hoe ze moeten leven, dat zelfrespect belangrijk is en dat het goed is om niet alleen aan de ander te denken, maar ook aan jezelf. Dat het prima is om zelf naar het winkelcentrum te fietsen en oorbellen te kopen die je mooi vindt. Ik luister naar andermans problemen, geef wijze raad, sta altijd klaar. Maar zelf weet ik niet goed hoe ik moet leven. Ik vind het moeilijk om mijzelf iets te gunnen, geef mezelf nooit vrij. Ik moet altijd door.
Ik weet dat wat ik heb gemist in mijn jeugd niet in te halen valt. Er zit een gat in mij dat anderen niet voor mij kunnen opvullen. Het is een bepaalde eenzaamheid die ik altijd bij me draag, waar ik ook ben. Mijn man zegt zo vaak tegen me: ‘De kinderen en ik zijn er voor je, we geven om je.’ Ik hoor wat hij zegt, maar ik kan het niet altijd voelen. Ik vind het moeilijk om te geloven dat er mensen op de wereld zijn die mij echt de moeite waard vinden, die werkelijk van mij houden.
Ik durf niet altijd te vertellen wat ik voel of denk. Ik wil niet kwetsbaar zijn, ik heb in mijn jeugd geleerd dat het gevaarlijk is om mijn gevoel te tonen. Als iemand vraagt hoe het met me is, zeg ik altijd dat het goed gaat. Als ik mijn gevoel toelaat, overspoelt het me. Ik probeer controle te houden, me niet mee te laten slepen door mijn gevoel. De wereld is hard en ik ben helemaal alleen, zo heb ik dat van jongs af aan ervaren. Voelen heb ik nooit geleerd, voelen was verboden. Ik ben me daar nu pas van bewust.
Ik moest eerst met het verleden afrekenen om vooruit te kunnen. Ik ben in 1997 een rechtszaak begonnen tegen mijn vader en stiefmoeder; ik heb hen aangeklaagd wegens mishandeling. Officieel heette dat: een onrechtmatige daad. Ik wilde dat mijn vader terecht stond voor de lichamelijke en geestelijke mishandeling, maar ook voor het bedrog, voor alle leugens die hij me had verteld. Hij moest boeten voor het verdriet dat hij me had aangedaan. Als veertienjarige werd ik uit huis geplaatst, en dood verklaard door mijn vader en stiefmoeder. Mijn verdere jeugd bracht ik door in kindertehuizen, zonder enig contact met mijn familie. Na jarenlange innerlijke strijd kwam ik tot het besef hoezeer ik was beschadigd voor het leven. De rechtszaak heeft me veel energie gekost. Mijn zussen zagen er aanvankelijk geen heil in. Toch wist ik Ayesha te overtuigen om samen de rechtszaak aan te gaan. Zahida kon en wilde de confrontatie toen nog niet aan. Maar later heeft ze toch schriftelijk haar getuigenis opgesteld. Het was slopend, maar ik moest het doen.
Tegelijkertijd ontdekte ik na al die jaren dat mijn moeder nog leefde, terwijl mijn vader me van jongs af aan had verteld dat ze dood was. Ze bleek met mijn jongere zusje Yasmin in Pakistan te wonen en ik bleek ook nog een jongere broer te hebben, Ali Nawaz, van wiens bestaan ik niets wist. Ik kreeg zo’n levenslust toen ik dat ontdekte: nu zou alles goed komen, ik zou mijn moeder terugkrijgen. Ik had haar zo lang gemist, had het zo lang zonder haar liefde moeten doen. Zij stond symbool voor mijn gemiste jeugd. Onbewust hoopte ik dat zij met haar liefde het gemis uit mijn jeugd zou kunnen compenseren.
Ik droomde elke nacht over mijn moeder. Nu ik wist dat ze nog leefde, wilde ik haar geen dag meer missen. Ik beet me er helemaal in vast, gaf alles om mijn familie naar Nederland te halen. Ik dacht dat de hereniging met mijn moeder prachtig zou worden, dat ik eindelijk de familiebasis zou krijgen die ik in mijn jeugd heb gemist. Ik heb jarenlang heel hard mijn best gedaan om hun visa rond te krijgen en huisvesting te regelen. Al mijn energie, tijd en geld gingen op aan mijn droom. Toen ze eindelijk in Nederland waren, heb ik hen in huis genomen, ze verzorgd, alles voor ze betaald.
Het werd een grote desillusie. Mijn moeder en ik bleken vreemden voor elkaar te zijn. We begrepen elkaar niet, spraken niet eens dezelfde taal. Tot mijn teleurstelling kreeg ik geen liefde van haar en bleek ze een zelfzuchtige vrouw te zijn die alleen aan zichzelf en haar twee kinderen uit Pakistan dacht. Ze zei ronduit dat ze naar Nederland was gekomen om Yasmin en Ali Nawaz een betere toekomst te geven, terwijl ik hoopte dat ze ook een moeder voor mij en mijn oudere zussen zou willen zijn. Bovendien hoopte ik dat ze een oma zou zijn voor mijn kinderen en de kinderen van mijn zussen. Ik dacht dat ik mijn moeder terug zou krijgen, maar ik ben haar toen voor de tweede keer kwijtgeraakt.
Ik heb heel lang in het verleden geleefd. Nu de strijd was gestreden en mijn zoektocht was volbracht, voelde ik me verloren. Ik ben eindelijk vrij, maar weet niet wat ik met die vrijheid aanmoet. Wat wil ik eigenlijk met mijn leven, met de toekomst? Ik heb geen flauw idee. Er zijn geen tralies meer. Ik kan doen en laten wat ik wil. Maar ik weet niet waar ik moet beginnen, of waar ik nu naartoe moet. In mijn jeugd heeft nooit iemand de vraag gesteld wat ík wil. Ik heb ook niet geleerd om die vraag aan mezelf te stellen. Als je puur moet zien te overleven is er geen ruimte voor wensen en verlangens.
Ik ben na de mislukte hereniging met mijn moeder, zo’n drie jaar geleden, in een zware dip geraakt. Ik geloof dat ik het een depressie moet noemen. Die depressie eiste zijn tol. Mijn man zei laatst tegen me: ‘Je was ver weg en het voelde alsof wij je niet konden bereiken.’
Ik vind dat zo erg om te horen, maar ik weet dat hij gelijk heeft. Ik wil er zijn voor mijn gezin, doe wat ik kan voor hem en mijn kinderen. Ik probeer het niet te laten merken als ik somber ben en toch voelen ze blijkbaar dat ik worstel. Ik moet nu zo mijn best doen om me blij en gelukkig te voelen, ik zou willen dat het een keer vanzelf ging. Maar de pijn maakt deel uit van mij. Ik moet leren dat het niet erg is om me zo te voelen, dat ik er niet voor weg hoef te lopen. Ik hoef niet meer de schijn op te houden, ik mag zo zijn. Dit gevecht moet ik met mijzelf aangaan.
Misschien dat het schrijven van dit boek me helpt om rust te krijgen. Het is confronterend om het verhaal over mijn traumatische jeugd te vertellen en soms wil ik er het liefst voor wegrennen, er niet meer aan denken. Ik doe dit niet alleen voor mijzelf, maar ook voor alle kinderen die mishandeld worden en voor alle volwassenen die ooit mishandeld zijn. Ik weet dat ik er doorheen moet. Ik heb een oorlogstijd meegemaakt en in een oorlog moet je zorgen dat je onzichtbaar bent. Je moet op je hoede zijn, dat is mijn tweede natuur geworden. Daarom is het voor mij zo moeilijk om mijzelf te laten zien, om spontaan te reageren. Ik ben nog altijd aan het overleven en wil leren hoe ik moet léven. Ik ben veertig jaar, een volwassen vrouw. Het wordt tijd.
HOOFDSTUK 4 – OP DE VLUCHT
Ik verbaas me er nog steeds over dat er al die tijd dat wij mishandeld werden niemand was die iets vreemds zag en ingreep. Volwassenen konden of wilden niet zien wat er bij mij thuis aan de hand was. Het is heel Nederlands om te denken: ik bemoei me er maar niet mee. Wat er achter de voordeur van de buurman gebeurt, daar hoor je je niet in te mengen, ook al worden de kinderen aan de andere kant van de muur zwaar mishandeld.
Ik heb meerdere malen geprobeerd om hulp te vinden, heb aan volwassenen verteld wat mijn vader en stiefmoeder met mij uithaalden. Zeker toen ik klein was, flapte ik er in mijn onschuld regelmatig iets uit. Ik weet zeker dat er mensen in mijn omgeving waren die doorhadden dat mijn zussen en ik mishandeld werden. Maar er was niemand die ons durfde te redden. Ze wisten het niet, ze wilden het niet weten, of ze wisten niet wat ze moesten doen.
Mijn zussen hebben nooit geprobeerd om weg te lopen, daarvoor waren ze te bang. Ik ben mijn hele jeugd bezig geweest om te vluchten. Toen ik vijf was, probeerde ik voor de eerste keer te ontsnappen. Tussen de middag werd een vriendinnetje door haar moeder opgehaald en zij zei tegen mij: ‘Je mag wel met ons mee. Je bent altijd welkom.’ Dat vatte ik nogal letterlijk op. Toen ik tijdens de lunch voor de zoveelste keer mijn braaksel moest opeten dacht ik: weet je wat, ik pak mijn pyjama en ga naar mijn vriendinnetje. Ik wist weg te sluipen met mijn slaapspullen onder mijn arm, rende naar haar huis en belde aan. Toen haar moeder opendeed vroeg ik: ‘Mag ik hier komen wonen?’
Bij de gevolgen stond ik niet stil. Die vrouw had geen idee wat ze met mij en de situatie aan moest. Zij belde de directrice van de school en die lichtte op haar beurt mijn stiefmoeder in. Toen ik ’s middags op school kwam, was mijn stiefmoeder in gesprek met de directrice. Ik hoorde haar zeggen: ‘Hameeda wil geen boterham met kaas eten, maar dat moet ze echt leren. Dat begrijpt u toch ook wel, mag ik hopen?’
Thuis kreeg ik ongenadig op mijn duvel. ‘Jij doet het fout. Straf verdien je zelf, doe je jezelf aan en niemand heeft daar iets mee te maken. Je moet je mond houden. Wat zal de wereld van jou denken als je al die vuiligheid over jezelf op straat gooit? Dom ben je.” Mijn vader wist de zaak goed te verdraaien en naar zijn hand te zetten. En dus zei ik een tijd lang niets meer. Ik had het gevoel dat ik toch niet geloofd werd. Diep in mij bleef er hoop branden. Hoop op verbetering. Het klinkt naïef, maar ik hoopte nog altijd dat het thuis op een dag fijn zou worden. Ik wenste tegen beter weten in dat ze me ooit normaal zouden behandelen. Ik wilde niet geloven dat mijn ouders werkelijk zo slecht waren. Als kind weiger je te accepteren dat je ouders niet van je houden, die waarheid is onverdraaglijk. “Als er op een dag iemand naar me luistert, dan komt het allemaal goed,” dacht ik voor het slapen gaan. Later verloor ik die hoop en besefte ik dat ik er alleen voor stond.
Mijn vader en stiefmoeder hadden geen vrienden, er kwamen zelden mensen thuis. Mijn stiefmoeder had een broer. Hij kwam af en toe langs met zijn gezin. We gingen ook weleens bij hen op bezoek. Zo kon ik zien hoe het er bij andere mensen thuis aan toe ging. Hun kinderen gedroegen zich vrij. Ze stelden vragen, praatten ook als ze niets werd gevraagd en gingen zomaar spelen zonder toestemming. Ik keek er met verbazing naar: dat ze dat durfden.
Mijn stiefmoeders broer en zijn vrouw Annie waren lief tegen ons, ze toonden interesse. Als we bij hen kwamen, gingen mijn zussen en ik automatisch op een rijtje op de bank zitten, zonder wat te zeggen. Annie moedigde ons dan aan: ‘Ga lekker met de andere kinderen buiten spelen!’
Wij zeiden geen woord, verroerden ons niet en hielden vanuit onze ooghoeken mijn stiefmoeder in de gaten. Ik wilde niets liever dan buiten spelen, maar ik durfde niet op te staan. Annie zag onze bange blikken, ik denk dat ze in de gaten had hoe we onder de duim werden gehouden. ‘Dat vind je toch wel goed?’ vroeg ze aan mijn stiefmoeder. Daar kon zij niet anders dan toestemmen. Pas toen we haar goedkeuring hadden, durfden we de kamer uit te gaan om buiten te spelen.
Annie en haar man zagen hoe onderdanig we reageerden. We kwamen een keer met de pantoffels aangerend toen ze bij ons op bezoek waren. Bij ons thuis was dat natuurlijk volstrekt normaal, maar zij zagen verbijsterd toe hoe ik de sloffen aan de voeten van mijn vader schoof. Mijn stiefmoeder kon zich in hun bijzijn niet altijd beheersen. Ze gaf Ayesha een keer zo’n draai om haar oren dat het begon te bloeden. ‘Wat bezielt je?’ vroeg Annie. ‘Dat kind heeft niets gedaan.’ Maar mijn stiefmoeder snauwde dat ze zich er niet mee moest bemoeien. Op den duur verwaterde het contact, ik denk doordat ze kritiek hadden op de manier waarop wij behandeld werden.
De tweede vluchtpoging deed ik op mijn twaalfde. Ik zat in de brugklas van het havo/vwo en bleek een onvoldoende voor wiskunde op mijn rapport te hebben. Ik was in paniek, kon het niet geloven: een vijf! Wat moest ik doen? Hoe kon ik mijn vader ooit nog onder ogen komen? Zou hij slaan? Ik durfde niet naar huis. Uiteindelijk ben ik wel gegaan. Als een zombie deed ik mijn huishoudelijke werk. Naarmate het moment naderde dat mijn vader thuis zou komen werd ik steeds panischer. Ik was bang dat hij door het lint zou gaan. Een vijf, dat zou ik niet overleven.
Rond half zes rende ik in paniek de deur uit. Ik kon maar één iemand bedenken die me zou helpen: Annie. Ik had onthouden dat bus 23 naar Scheveningen ging, waar ze woonde met haar gezin. Ik had geen geld, dus besloot ik lopend de busroute te volgen – ik had geen idee dat het met de bus al anderhalf duurde om er te komen. Ik liep uren en uren, tot het donker werd. Het begon te regenen en ik raakte doorweekt, wist niet meer welke kant ik op moest. De bus reed via Rijswijk, Voorburg en Den Haag naar Scheveningen. In Voorburg raakte ik de weg kwijt. Maar wat er ook gebeurde: naar huis wilde ik niet.Nooit meer.
Midden in de nacht kwam ik aan bij het huis van Annie, uitgeput en totaal verkleumd. Ze schrok van mijn verschijning. ‘Kind, waar kom jij nou vandaan?’ Ik bibberde en bleef één zin herhalen: ‘Ik ga nooit meer terug.’ Toen ze mij hielp om mijn natte kleren uit te trekken, zag ze de striemen op mijn rug en de blauwe plekken op mijn armen. Ze vroeg aan me wat er thuis aan de hand was. Ik vertelde over de mishandelingen, over de klappen die ik kreeg met stokken, kleerhangers en kettingen. Dat mijn vader me dood zou slaan als hij erachter kwam dat ik een onvoldoende op mijn rapport had. Ze troostte me, was zo lief. Eindelijk iemand die me geloofde, nu zou het allemaal goed komen.
Annie belde haar moeder om te overleggen, ik hoorde haar zeggen: ‘Wat een klootzak, ik moet haar daar weghalen.’ Haar moeder adviseerde om de politie te bellen en die zei op haar beurt dat ik terug moest naar mijn ouders. Ik was minderjarig, Annie mocht mij niet bij zich houden. Het bleek dat mijn vader me als vermist had opgegeven, ik stond op de telex. De politie had de plicht hem te informeren dat ik was gevonden.
Vroeg in de ochtend werd ik door mijn vader opgehaald en naar het bureau gebracht. Mijn vader hield een verhaal tegen de politieagent: ‘Hameeda durft niet naar huis, want ze heeft een vijf op haar rapport. Maar meneer, u moet inzien dat er niets aan de hand is, voor de rest heeft ze prachtige cijfers. Ze is in de puberteit, ze doet wel vaker een beetje raar.’ Ik zat er verstijfd bij, kon geen woord uitbrengen. Wat kon ik ook zeggen? Ik maakte geen schijn van kans, moest met mijn vader mee naar huis.
Onderweg naar huis zei mijn vader geen woord. Ik maakte me zo klein mogelijk. Thuis werd ik compleet genegeerd, een week lang sprak niemand tegen me. Toen ik een keer alleen was met mijn vader zei hij ineens iets. Ik schrok ervan, was gewend geraakt aan de oorverdovende stilte. ‘Waarom ben je weggelopen?’
Voor het eerst van mijn leven vertelde ik wat me dwars zat. Ik had niets meer te verliezen, was te murw om angst te voelen. Erger dan dit kon het niet worden. ‘Ik was bang om naar huis te gaan, zei ik. “Bang voor u, voor de klappen. Ik voel me hier ongelukkig en zou willen dat we het beter hadden met elkaar.”
Hij werd woest en sloeg me in mijn gezicht, maar dat maakte me niets meer uit. Mijn woorden hadden geen effect gehad, er veranderde niets.
Op mijn dertiende deed ik de volgende vluchtpoging. Mijn stiefmoeder knipte weer eens hardhandig de haren van mijn zussen aan het kortwieken in de badkamer en ik wachtte op mijn beurt. Zahida en Ayesha kwamen overstuur de kamer in. Hun pony was scheef en er waren allemaal happen uit hun haar. Ze huilden.
Ik wist al wat er zou komen. Nu zou ik onder handen worden genomen, en ik schaamde me al zo voor mijn uiterlijk. Toen ik mijn zussen zag met dat rare haar, vernederd en lamgeslagen, besloot ik dat het genoeg was. Ik zou niet meer met me laten sollen. Ik voelde geen angst, dacht: misschien helpt het als ik duidelijk maak wat ik wil. Kordaat stapte ik op mijn stiefmoeder af: ‘Ik wil niet dat u mijn haar knipt, ik heb liever lang haar.’ Ze werd razend, sloeg me om mijn oren en schopte me de badkamer in. Daar moest ik me uitkleden en zou het vernederende ritueel zich herhalen.
Ik had me al half uitgekleed toen ik een rood waas voor mijn ogen kreeg. Ik wilde dit niet meer en dacht: ik ga weg en kom hier nooit meer terug. Ik had alleen mijn T-shirt en broek nog aan, maar had geen tijd om me weer aan te kleden. Ik griste mijn spaarpotje van de plank in mijn slaapkamer, snelde op blote voeten de trap af. In de gang stonden de laarzen van mijn stiefmoeder, maat 42. Zonder na te denken pakte ik ze mee en ik rende zonder jas de straat op.
Het was hartje winter. Het vroor. Ik rende met mijn spaarpot onder mijn arm, op die veel te grote laarzen, naar de bank. Er zat een speciaal slot op de spaarpot dat alleen daar geopend kon worden. Gelukkig wilde de medewerkster achter de balie meewerken. Vijfentwintig gulden zat erin.
Waar moest ik heen? Wie zou me helpen? Ik wist dat bus 18 naar het centrum ging, dus die nam ik toen maar. In de stad doolde ik rond tot de winkels sloten. Het was koopavond en tegen sluitingstijd trokken de winkelaars van buiten de stad naar het station -- ik volgde de stroom. Ik had geen idee waar ik heen zou gaan, ik wist alleen dat ik zo ver mogelijk van huis moest zien te raken om nooit meer terug te komen. Ver weg, dat was bijvoorbeeld Amsterdam. Dus kocht ik bij het loket een enkeltje Amsterdam.
Toen ik de trein instapte, werd ik me bewust van de blikken van medereizigers. Ik zag er niet uit, veel te dun gekleed en met die idiote laarzen aan. In een lege coupé had ik geen last van de ongewenste aandacht. Toen de trein begon te rijden voelde ik me een kort moment gelukkig: weg. Naar Amsterdam. En nooit meer terug.
Het Amsterdamse centraal station bleek groot en vreemd. Ik hing een beetje rond, had het vreselijk koud en voelde me hongerig. Het werd donker en langzaam maar zeker raakte ik overstuur. Wat deed ik hier? Waar moest ik heen? In een glazen wachthok viel ik uitgeput in slaap. Toen ik wakker werd, was het nacht. Als in een droom stond ik op en ging ik lopen, zomaar een kant op. Na een paar uur ben ik in een portiek gekropen, beschut tegen de koude wind. Daar viel ik op de betonnen portiekvloer in slaap tot de volgende ochtend.
Wat daarna is gebeurd, weet ik niet meer. Ik heb gaten in mijn geheugen en als ik aan die periode terugdenk, voelt mijn hoofd leeg. Lopen, slapen, lopen, dat is het enige wat ik me herinner. Ik weet dat ik in een winkelcentrum een jas heb gepikt en dat ik, in navolging van een zwerver, brood uit een vuilnisbak haalde. Voor mijn gevoel duurde die zwerftocht eindeloos, maar het zullen hooguit een paar dagen geweest zijn.
Uiteindelijk sprak een mevrouw me aan, ik weet niet hoe ze heette of waar ze vandaan kwam. Ik zat in een bushokje en ze vroeg waar ik naartoe ging. Ik wist niet wat ik moest zeggen, durfde haar niet in vertrouwen te nemen. ‘Kan ik je helpen? Zal ik je naar huis brengen?’ vroeg ze.
Ik bekende dat ik was weggelopen. Zij bracht me naar stichting Release die kinderen zoals ik hielp. Tijdens de intake deed ik mijn verhaal. Ik was murw van de honger en het slaapgebrek, maar ook opgelucht. Eindelijk had ik een dak boven mijn hoofd en was ik niet meer alleen.
Ik mocht er een paar weken blijven, daarna moest ik naar Den Haag. Dat waren de regels, ik hoorde niet tot hun regio, zeiden ze. Ik wilde per se niet zo dicht in de buurt van mijn vaders huis wonen, maar het kon niet anders. Ik liet alles maar over me heen komen, ging met ze mee naar Den Haag, waar ik weer een intakegesprek moest voeren met een hulpverlener die ik nog nooit had gezien. Omdat zij de ernst van mijn situatie inzagen, werd ik op tijdelijke adressen bij onbekende mensen ondergebracht. Ik moest me schuilhouden als een misdadiger en mocht met niemand uit mijn vorige leven contact zoeken. Het was niet geoorloofd langer dan enkele weken op eenzelfde adres te verblijven. Mijn vierde onderduikadres was bij een man die zelden thuis was. Hij kwam alleen zo nu en dan langs om me eten te geven. Ik zat weken alleen en vloog op het laatst tegen de muren op. Ik ging niet naar school, had al in geen maanden leeftijdsgenoten gesproken. Ik heb toen stiekem, tegen de regels in, een vriendinnetje gebeld. Zij was blij om mijn stem te horen en riep enthousiast: ‘Ik kom meteen naar je toe!’
Ze nam kleren en muziek voor me mee. Ik was zo blij haar te zien. De rode jurk die ze me gaf, een extravagant model met kant en stroken, trok ik direct aan. ‘Hameeda, je wordt gezocht,’ sprak ze later op serieuze toon. ‘De politie is op school geweest en heeft allerlei vragen gesteld.’ Ik schrok. ‘Je zegt niets hoor, over mij. Niets. Tegen niemand. Beloof je dat? Ze zwoor dat ze haar mond zou houden -- en ze heeft haar belofte gehouden. Bij het afscheid omhelsden we elkaar.
Toen ik weer alleen in dat vreemde huis zat, kreeg ik het spaans benauwd. Ik wilde naar buiten. Ik maakte mezelf wijs dat ik tandpasta nodig had. Ik trok de stad in en daar ging het meteen mis. In het centrum van Den Haag stopte een politiewagen naast me, de agenten stapten uit en vroegen of ik Hameeda heette. Ik was met stomheid geslagen, begreep niet hoe ze konden weten wie ik was. Het bleek dat ik op de telex stond, dat iedere agent in Den Haag en omstreken wist dat ik gezocht werd. Ik had een paar dingetjes in mijn tas die ik uit geldgebrek had gepikt en moest mee naar het bureau in Rijswijk.
Daar trof ik de rechercheur die me eerder op het bureau had ontvangen. Hij was lief voor me, gaf me raad. Hij vroeg of ik wilde leven als een dief en zei dat ik zo niet verder kon. Ik gaf hem gelijk, ik wist dat het verkeerd was wat ik had gedaan. ‘We gaan thuis praten en dan komt alles goed,’ zei hij. Toen ik voor de deur van mijn ouderlijk huis stond, had ik toch weer hoop. Misschien hadden mijn ouders hiervan geleerd en zou alles anders worden.
Maar mijn vader had me niet gemist. Hij keurde me geen blik waardig. We gingen met het gezin om de tafel zitten en de rechercheur vroeg me te vertellen wat er was gebeurd. Ik besloot het erop te wagen, in de hoop dat de situatie nu dan eindelijk beter zou worden voor ons allemaal. Ik was lang weggeweest, de politie bemoeide zich er serieus mee: dit was menens, mijn vader en stiefmoeder konden nu niet meer om de problemen heen.
Toen ik uitgepraat was, vroeg de rechercheur aan mijn zussen: ‘Herkennen jullie Hameeda’s verhaal? Is het waar wat ze vertelt?’ Met hun ogen op de tafel gericht schudden ze hun hoofd. Tot mijn verbijstering ontkenden ze. Wat was ik woedend. Ik voelde me verraden. De rechercheur nam me apart. ‘Ik kan niets anders doen dan je hier achterlaten. Als er wat is, kun je me altijd bellen,’ zei hij.
Ik heb me nog nooit zo alleen gevoeld als toen. Niemand praatte tegen me en ik werd in mijn kamer opgesloten. Ik kreeg alleen water en brood, dat elke dag in stilte voor mijn deur werd gezet. Ik zwoor dat ik het mijn zussen nooit zou vergeven.
Pas veel later heb ik begrepen dat mijn zus na het gesprek tegen mijn vader heeft gezegd dat ze de hond ging uitlaten. Zodra ze de deur uit was, is ze de rechercheur achterna gerend om hem, buiten gehoor van mijn vader, te zeggen dat mijn verhaal wel degelijk klopte.
Twee weken lang zat ik opgesloten. Ik mocht niet naar school, met niemand spreken. Ik kon niet weg, zat daar maar. Op een dag stond mijn vader in mijn kamer. Dreigend. Er was niemand thuis en ik zag geen enkele mogelijkheid om weg te komen. Hij sleurde me de trap af. ‘Deze keer ben je te ver gegaan,’ siste hij.
Hij liet me alle hoeken van de kamer zien, sloeg en trapte tot ik op de grond viel. Ik bleef stil liggen en nog trapte hij door. Ik dacht: dit overleef ik niet. Ineens hield hij op. ‘Dit is de laatste keer geweest,’ zei hij, ‘de volgende keer maak ik je dood.’ Hij ging weg, deed de deur dubbel op slot.
Panisch zocht ik een vluchtweg. We woonden in een galerijflat en de keuken zat aan de voorkant. Via het keukenraam heb ik me op de galerij laten vallen en daar bleef ik liggen. Ik kon niet meer overeind komen. De buren vonden me en brachten me naar het politiebureau. Daar was weer dezelfde rechercheur als de vorige keren. Hij liet foto’s maken van mijn rug, mijn gezicht, armen en benen. Ik was bont en blauw. Eindelijk had ik genoeg tastbaar bewijs, eindelijk werd ik geloofd.
Mijn vader moest op het bureau komen. Hij wist dat het spel was uitgespeeld en liet zich kennen. ‘Jij bent dood voor mij!’ riep hij. Hij schold me uit voor hoer en voor leugenaar. Tegen de rechercheur zei hij: ‘Houd haar uit mijn buurt, voor mij bestaat ze niet meer. Ze is dood.’
Ik zat te bibberen van angst. Toen mijn vader weg was, vroeg de rechercheur: ‘Wat moeten we nou met jou aan?’ Hij begon over een pleeggezin, maar dat vond ik geen optie. ‘Ik wil geen nep-vader en nep-moeder meer, ik wil op mezelf wonen,’ antwoordde ik. ’Je bent nog te jong, Hameeda.’ Ik was veertien jaar. ‘We gaan een kindertehuis voor je zoeken.’. Op dat moment werd het gesprek onderbroken. De rechercheur werd weggeroepen om te assisteren in een onderzoek en er kwam een nieuwe, onbekende agent voor me zitten die duidelijk ook niet wist wat hij met me aan moest. Hij besloot dat ik, zo lang er geen opvangplek was gevonden, het beste op het bureau kon bivakkeren.
Wie overnachtte op het bureau moest zijn spullen en kleren inleveren, zo waren de regels. Voor mij werd geen uitzondering gemaakt. Ik moest zo’n blauw pakje aan, werd in een cel gezet en de deur ging op slot. Voor mijn gevoel zat ik in de gevangenis. Ik had op dat moment geen hoop meer, was mijn vertrouwen in de mensheid kwijt. Mijn vader zat lekker in zijn eigen huis, terwijl ik als de eerste de beste misdadiger gevangen zat: wat was dit voor wereld? Ik was kapot, had pijn en kon alleen nog wezenloos voor me uit staren. Ondanks mijn vermoeidheid lukte het me niet om te slapen.
Een paar dagen later was er een plek in een opvanghuis gevonden. Daar bleef ik zes maanden. Ik ben nog één keer stiekem terug gegaan naar mijn ouderlijk huis. Ik besefte hoe gevaarlijk dat was, maar ik voelde een vreemde aantrekkingskracht. Ik had helemaal niets meer van mezelf, miste mijn vertrouwde spullen: mijn kleren, mijn schriften en tekeningen. Ik moest en zou terug om ze te halen. Het was ook een gevoel van rechtvaardigheid dat me dreef. Ik had recht op die spulletjes, het waren mijn bezittingen.
Ik had nog steeds een huissleutel in mijn bezit en op een tijdstip waarvan ik wist dat er niemand thuis zou zijn, liet ik mijzelf binnen. Ik sloop naar boven, naar mijn oude kamer. Daar trof ik in mijn kledingkast twee vuilniszakken aan. Voor de rest waren mijn kasten leeg, het was net of ik er nooit had gewoond. Voorzichtig frunnikte ik een vuilniszak open. Bovenop lagen een paar tekeningen en mijn poëzie-album, die ik in de haast heb meegepakt. Daarna ben ik nooit meer in het huis geweest.
Een nieuw leven begon. Natuurlijk was ik opgelucht dat ik ontsnapt was, maar ik voelde me ook verdrietig. Geen kind wil van huis weg zijn. Ik was ternauwernood aan de dood ontsnapt, was diep ongelukkig geweest bij mijn vader en stiefmoeder en toch vond ik het vreselijk om een thuis te moeten missen. Ik voelde me ontheemd.
Na zes maanden in een tijdelijke opvanghuis voor meisjes te hebben gewoond, kreeg ik een vaste plek in een kindertehuis. Ook daar had ik het gevoel dat ik werd gestraft. Ik was mijn zussen kwijt, had geen ouders meer, geen huis. Waar had ik dit aan verdiend? De andere kinderen die er woonden, gingen één keer per maand, of elk weekend naar huis. Zij hadden nog contact met hun ouders, een plek waar ze naartoe konden gaan. De maatschappelijk werkster, die mij werd toegewezen via de politie heeft geprobeerd om een gesprek tussen mij en mijn vader te arrangeren, maar hij weigerde. Ik deed of het me niets kon schelen, zei tegen haar: ‘Laat maar, ik ben toch dood voor hem.’
Ik heb mijn vader in die tehuisjaren nog één keer gezien. Toen ik zestien jaar was, had ik een handtekening van hem nodig voor een toeristenkaart. We gingen met het tehuis naar Engeland op vakantie en aangezien ik geen eigen paspoort had, was dit de enige manier. Mijn vader had nog altijd de voogdij, na alles wat er was gebeurd. Dat ik rechten had, wist ik niet. Er is nooit iemand geweest die me heeft verteld dat ik aangifte kon doen, dat hij op basis van de mishandelingen uit de ouderlijke macht kon worden ontzet. Ik was, ook nu ik in een tehuis woonde, afhankelijk van hem; als ik naar het buitenland wilde, had ik zijn formele toestemming nodig. Hij was mijn vader en mijn voogd, al had hij me doodverklaard en heeft hij sinds mijn uithuisplaatsing geen cent meer voor me betaald en nam hij op geen enkele manier zijn verantwoordelijkheid.
En dus ging ik met een lid van de groepsleiding naar zijn zaak, een wassalon, om zijn handtekening te bemachtigen. Ik wilde graag mee met vakantie, verheugde me erop om naar het buitenland te gaan. Toen mijn vader me met de leidster in de wassalon zag staan ging hij door het lint. Hij schreeuwde: ‘Het verbaast me dat je nog leeft, dat je geen zelfmoord hebt gepleegd.’ Op het moment dat ik me omdraaide om te vluchten, zei hij: ‘Zit je nog niet achter het raam, hoer?’
De leidster en ik zijn hard weggerend. Uiteindelijk heeft de leiding een identiteiskaart via een omweg weten te regelen en kon ik alsnog mee op vakantie.
Zelf bedenken wat ik wilde dragen. Zomaar alleen de stad in. Met de tram. Praten zonder toestemming. De vrijheid die ik had verworven was overweldigend.
In het tehuis bloeide ik op. Spreken ging direct beter, binnen een paar maanden stotterde ik bijna niet meer. Het tehuis hield vergaderingen met de hele groep die ik mocht notuleren. Ze zagen dat zo’n taak mij lag, dat ze het aan mij konden overlaten. Ik mocht daarna ook een keer de gespreksleidster zijn, dat waren belangrijke momenten voor mij. Ik kreeg weer een beetje zelfvertrouwen, ontwikkelde me.
Ik had wel moeite om mensen te vertrouwen. Een groepsleidster ontfermde zich over me. Ze woonde nog thuis en in het weekend nam ze me spontaan mee naar het huis van haar ouders. Ik vond het fijn, maar kon met die hartelijkheid niet goed omgaan. Ik was wantrouwig, kon niet geloven dat andere mensen me aardig vonden. Ik wist me geen houding te geven.
De vrijheid bleek voor mij op den duur te heftig. De omslag in mijn leven was zo radicaal, ik kon er niet mee uit de voeten. Het was heerlijk, maar ik raakte er ook van in de war. De paar regels waar ik me nog wel aan moest houden lapte ik aan mijn laars. Ik ging spijbelen, zette me af tegen de leiding. Ik sloeg door naar de andere kant, niemand kon mij meer wat vertellen. In die eerste maanden dat ik van huis was raakte ik psychisch en in praktische zin behoorlijk de weg kwijt.
Maar er waren ook veel positieve kanten aan mijn nieuwe zelfstandigheid. Ik ging me ontharen! Dat voelde kilo’s lichter. Eindelijk was ik van die lelijke snor en beharing af! Mijn haar liet ik groeien en ik begon op een meisje te lijken.
Ik gedroeg me extreem, kleedde me extreem. Toen ik in het kindertehuis aankwam, bezat ik niets. Aanvankelijk leende ik kleding van de andere meisjes, daarna kreeg ik mijn eigen geld om kleren te kopen. Ik was vijftien jaar en moest leren om te kiezen, om mijzelf te kleden. Ik onderzocht wat kon en niet kon, wist niet hoe het moest. Ik keek bij de meisjes in het tehuis af hoe je je hoorde te kleden, maar had geen eigen smaak of stijl. Van een verlegen meisje veranderde ik in een stoere, zelfverzekerde meid – althans, voor de buitenwereld. Ik deed wereldwijs, terwijl ik ergens ook nog het kind was dat het goed wilde doen, dat verlangde naar bevestiging en goedkeuring. Diep in mijn hart was ik zo onnozel, zo onwetend. Een groot deel van het leven was aan mij voorbij gegaan, ik wist in sommige opzichten meer dan leeftijdgenoten maar had ook nog veel te leren.
De groepsleiders aan wie ik me hechtte, gingen vroeg of laat weer weg. Het personeel wisselde snel, de meeste begeleiders werkten maar een of twee jaar in het tehuis. Ik trok me hun vertrek heel persoonlijk aan, voelde me in de steek gelaten. Ik wilde me op den duur niet meer hechten, in de hoop dat ik dan niet meer die diepe pijn zou voelen als er weer iemand uit mijn leven verdween.
Van mijn zussen hoorde ik maandenlang niets, ik denk dat mijn vader ze had verboden om contact op te nemen. Toen ze uiteindelijk belden, heb ik gezegd dat ze mij met rust moesten laten. Ik kon die twee werelden niet met elkaar rijmen. Ik moest me concentreren op mijn nieuwe leven, mij handhaven in een groep meisjes – wat niet meeviel. Het gevoel van gemis toen ik mijn zussen aan de lijn had, wilde ik niet toelaten. Ik probeerde mezelf hard te maken en niet te veel te voelen, dat was mijn manier om me staande te houden. Gevoel was lastig, dat kon ik er niet bij gebruiken. Doorzetten was het devies, ik was vast van plan om er wat van te maken. Ik was definitief ontsnapt, mijn vader en stiefmoeder konden me niet meer raken. Mijn leven was eindelijk begonnen.
EPILOOG
Als ik naar mijzelf kijk, besef ik dat er veel ten goede is veranderd. In dit boek beschrijf ik wat het kan aanrichten als je in je jeugd wordt mishandeld en verwaarloosd. Onvermijdelijk komen daarbij de sombere, zware kanten van zo’n achtergrond naar voren. Ik wil bekendheid geven aan en erkenning vragen voor de strijd die mishandelde kinderen moeten leveren om te overleven, in hun jeugd en als ze volwassen zijn. Ik wil de pijn en de moeite die het kost om een gelukkig leven te leiden laten zien.
Ik ben een eind op weg, maar ik ben er nog niet. Ik heb de neiging om mezelf weg te cijferen en moet leren dat ik zelf ook belangrijk ben, dat niet alles om anderen draait. Mijn hele jeugd heb ik moeten horen dat ik blij mocht zijn dat ik naar school kon en een opleiding kon volgen. In materieel opzicht kwamen we niets tekort; als kind was ik blij wanneer ik schaatsen kreeg met kerst, of als ik een rok kreeg met een bijpassende blouse. Als volwassene weet ik dat dat de rechten van een kind zijn, ouders hóren voor hun kinderen te zorgen en ze liefde en aandacht te geven. Toen ik klein was, dacht ik dat ik alles wat ik kreeg moest verdienen, voor mij was niets vanzelfsprekend.
Dat zit er nu nog ingebakken: mag ik wel genieten? Heb ik het verdiend, heb ik wel genoeg mijn best ervoor gedaan? Automatisch zet ik mijn man en mijn kinderen op de eerste plaats. Ik vind het fijn om ze te verwennen, maar ik leer nu steeds beter dat ik ook voor mezelf iets mag kopen. Ik ga naar een uitstekende kapper en draag mooie kleren; dat doet me goed.
Nu ben ik een sterke vrouw die weet wat ze wil. Ik ben die vrouw geworden ondanks mijn slechte jeugd, maar ik ben haar ook geworden door mijn jeugd. Mijn vader en stiefmoeder zijn er niet in geslaagd om mij te breken. Ik leef nog, ik heb het overleefd. Ik heb nog evenveel wilskracht als toen ik klein was en vast van plan was te ontsnappen. Ik heb een gezin, een man en kinderen die van mij houden. Ik heb licht en vrolijkheid om mij heen.
Dit leven heb ik zelf gecreëerd, het lijkt in niets op het zwarte, sombere leven dat ik noodgedwongen leidde toen ik klein was. Ik wil beoordeeld worden op wie ik nu ben en niet gezien worden als die vrouw met die moeilijke jeugd. Ik ben geen zielig persoon die medelijden verdient, ik verdien het om serieus genomen te worden.
Met het schrijven van het boek kan ik het onderwerp kindermishandeling opnieuw ter sprake brengen en onder de aandacht van het grote publiek brengen. Ik hoop dat Geheim geweld een grote steun is voor lotgenoten, en dat het mensen als hulpverleners en politici de ogen opent zodat de ernst van de misdaden tot ze doordringt. Geestelijke en lichamelijke mishandeling kost de staat miljarden omdat veel mensen kampen met jarenlange psychische problemen.
Grote uitdaging in mijn leven is om mijn jeugd een positieve draai te geven. Vroeger droomde ik mijzelf weg. Nu ben ik klaar wakker. Ik zie waar ik sta en wat ik kan betekenen in deze maatschappij die vooral de ogen wil sluiten. Maar voor kindermishandeling kán men de ogen niet langer sluiten. Er moeten wetten opgesteld worden waarin wordt geregeld dat de daders, man of vrouw, en ook degenen die kindermishandeling oogluikend toestaan, medeplichtig zijn en door de rechtbank kunnen worden gestraft. Er mag geen verjaringstermijn gelden voor geweld dat gepleegd wordt tegen een weerloos kind.
Er moet openheid komen over kindermishandeling, we moeten leren hoe we met slachtoffers moeten omgaan en hoe we ze kunnen helpen.
Als dit boek een aanzet is tot een maatschappelijke discussie en erkenning van het probleem dan is mijn doel en missie geslaagd.
Mensen willen niet altijd over schokkende gebeurtenissen lezen, het is te confronterend. Maar kindermishandeling en de gevolgen ervan zíjn schokkend. Het valt niet meer te ontkennen dat het voorkomt in onze samenleving, iedereen kan ermee geconfronteerd worden. Misschien is het de leerkracht die constateert dat een kind niet goed kan meekomen in de klas, en vol zit met blauwe plekken. Misschien zijn het de buren die het schreeuwen en huilen horen, maar niet weten hoe ze erop moeten reageren. Het kunnen artsen zijn die de bewijzen in handen hebben doordat ze de kneuzingen en de littekens, maar ook de familieleden van het kind of andere kinderen die dagelijks omgaan met de slachtoffers zijn van het geweld.
Geheim geweld is een verhaal over overleven. Als kind dacht ik dat ik alleen was. Ik was niemand en voelde me een verliezer. Ik wilde zijn zoals andere kinderen, en later, toen ik volwassen was, wilde ik eerst net zo zijn als andere mensen.
Toen besefte ik dat dat niet kon. Ik was nog steeds een buitenstaander. Maar ik was ook meer. Ik was een overwinnaar. Een overwinnaar van geweld.
Mijn innerlijke kracht is mijn mooiste bezit. In de duistere tijden waarin mijn lichaam bijna niet verder kon, bleef mijn geest altijd overeind. Het is misschien raar te zeggen, maar zonder mijn traumatische jeugd zou ik waarschijnlijk nooit geworden zijn wie ik nu vandaag ben.
Ik heb het geluk gehad mijn duisternis om te zetten naar licht. Mijn tragedie werd een overwinning.




